BWBR0042021
Geldig vanaf 2016-08-01
Artikel 17
Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Overijssel
1. De voor de uitvoering van deze regeling ter beschikking te stellen middelen worden verschaft door de Minister en de gemeenten, door het verstrekken van jaarlijkse bijdragen, op basis van de begroting. Bij de aanvang van het Historisch Centrum Overijssel luiden de bijdragen zoals vastgesteld in de bijlagebij de regeling.
2. De Minister en de colleges dragen er zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde beschikt over voldoende middelen om zijn verplichtingen te voldoen. Dit met inachtneming van het zevende lid.
3. De in het eerste lid bedoelde bijdragen zullen jaarlijks worden aangepast aan de prijsontwikkelingen op basis van het prijsmutatiepercentage voor de netto materiële overheidsconsumptie, zoals jaarlijks opgenomen in het Centraal Economisch Plan en zoals door de gemeente gehanteerd bij de opstelling van haar jaarlijkse begroting.
4. Het Historisch Centrum Overijssel kan bij de vaststelling van de begroting een percentage opnemen als voorlopige raming van het door de Minister en de colleges vast te stellen percentage als bedoeld in het derde lid.
5. Indien de Minister of de gemeenten een bijzondere taak opdragen als bedoeld in artikel 2b, onder e, waarvan de kosten niet zijn op te vangen in de begroting, wordt daarvoor door de opdrachtgever in aanvulling op de jaarlijkse bijdrage een tevoren overeengekomen vergoeding betaald.
2. De Minister en de colleges dragen er zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde beschikt over voldoende middelen om zijn verplichtingen te voldoen. Dit met inachtneming van het zevende lid.
3. De in het eerste lid bedoelde bijdragen zullen jaarlijks worden aangepast aan de prijsontwikkelingen op basis van het prijsmutatiepercentage voor de netto materiële overheidsconsumptie, zoals jaarlijks opgenomen in het Centraal Economisch Plan en zoals door de gemeente gehanteerd bij de opstelling van haar jaarlijkse begroting.
4. Het Historisch Centrum Overijssel kan bij de vaststelling van de begroting een percentage opnemen als voorlopige raming van het door de Minister en de colleges vast te stellen percentage als bedoeld in het derde lid.
5. Indien de Minister of de gemeenten een bijzondere taak opdragen als bedoeld in artikel 2b, onder e, waarvan de kosten niet zijn op te vangen in de begroting, wordt daarvoor door de opdrachtgever in aanvulling op de jaarlijkse bijdrage een tevoren overeengekomen vergoeding betaald.