BWBR0041895
Geldig vanaf 2021-02-19
Artikel 4
Besluit beslagvrije voet
1. De ophoging, bedoeld in artikel 475da, zevende lid, van de wetis afhankelijk van de woonkosten, waarbij:
a. de woonkosten met een hoogte tot de kwaliteitskortingsgrens, genoemd in artikel 20, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, in aanmerking worden genomen voor het percentage, genoemd in artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van die wet;
b. de woonkosten met een hoogte vanaf de normhuur, bedoeld in onderdeel a, tot de in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde aftoppingsgrens in aanmerking worden genomen voor het percentage, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van die wet; en
c. de woonkosten met een hoogte vanaf de aftoppingsgrens, bedoeld in onderdeel b, tot de in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde rekenhuur in aanmerking worden genomen voor het percentage, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van die wet.
2. De ophoging is gelijk aan de op basis van het eerste lid in aanmerking genomen woonkosten verminderd met de op basis van het belastbaar inkomen geldende normhuur, bedoeld in artikel 19 van de Wet op de huurtoeslag, maar minimaal de in artikel 17, tweede lid, van die wetgenoemde normhuur.
3. Als bewijsstuk, bedoeld in artikel 475da, zevende lid, derde zin, van de wetwordt aangewezen een beschikking van de Dienst Toeslagen op een aanvraag om huurtoeslag, dan wel een schriftelijke beoordeling van de Dienst Toeslagen over de aard van de woning.
a. de woonkosten met een hoogte tot de kwaliteitskortingsgrens, genoemd in artikel 20, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, in aanmerking worden genomen voor het percentage, genoemd in artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van die wet;
b. de woonkosten met een hoogte vanaf de normhuur, bedoeld in onderdeel a, tot de in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde aftoppingsgrens in aanmerking worden genomen voor het percentage, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van die wet; en
c. de woonkosten met een hoogte vanaf de aftoppingsgrens, bedoeld in onderdeel b, tot de in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde rekenhuur in aanmerking worden genomen voor het percentage, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van die wet.
2. De ophoging is gelijk aan de op basis van het eerste lid in aanmerking genomen woonkosten verminderd met de op basis van het belastbaar inkomen geldende normhuur, bedoeld in artikel 19 van de Wet op de huurtoeslag, maar minimaal de in artikel 17, tweede lid, van die wetgenoemde normhuur.
3. Als bewijsstuk, bedoeld in artikel 475da, zevende lid, derde zin, van de wetwordt aangewezen een beschikking van de Dienst Toeslagen op een aanvraag om huurtoeslag, dan wel een schriftelijke beoordeling van de Dienst Toeslagen over de aard van de woning.