1. De commissie is belast met:
a. het beoordelen van de subsidieaanvragen, bedoeld in artikel 21 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022, en het adviseren van de Minister hierover;
b. het beoordelen van de voortgangsrapportages, bedoeld in artikel 22 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022, en het adviseren van de Minister hierover; en
c. de overige taken die haar zijn opgedragen op grond van de paragrafen 3 en 4 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022.
2. De commissie brengt het advies, bedoeld in het eerste lid, onder a, uit binnen dertien weken na afloop van elke aanvraagperiode als bedoeld in
artikel 19, eerste lid, van Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022. Dit advies bevat:
a. voor iedere aanvraag een beoordeling per criterium, bedoeld in artikel 21, derde of vierde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022, als voldoende of als onvoldoende;
b. een rangschikking van de als voldoende beoordeelde aanvragen, bedoeld in artikel 23 van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022; en
c. een draagkrachtige motivering per beoordeling.
3. De commissie brengt het advies, bedoeld in het eerste lid, onder b, uit binnen de termijn, genoemd in
artikel 28, tweede lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022. Dit advies bevat:
a. voor iedere voortgangsrapportage een beoordeling als bedoeld in artikel 22, derde en vierde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022;
b. voor iedere voortgangsrapportage de onderwerpen, genoemd in artikel 22, vijfde lid, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022; en
c. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 22, vijfde lid, onderdeel c, van de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022, een draagkrachtige motivering bij het advies.
4. De commissie brengt per kalenderjaar een verslag uit over de wijze waarop de beoordelingen van de subsidieaanvragen en voortgangsrapportages hebben plaatsgevonden.