BWBR0041819
Geldig vanaf 2019-01-19
Artikel 8
Besluit experiment geregionaliseerde beroepsopleidingen en kwalificaties mbo
1. De instelling heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de werkgevers die zijn betrokken bij de ontwikkeling van het regionale deel van de geregionaliseerde kwalificatie en, indien van toepassing, de regionale keuzedelen. Uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt dat de betrokken werkgevers samen gedurende het experiment voldoende praktijkplaatsen voor de desbetreffende geregionaliseerde beroepsopleiding bieden en dat er in de regio voldoende arbeidsmarktperspectief is voor afgestudeerden van die opleiding.
2. De instelling voorziet in een terugvaloptie, waardoor studenten tussentijds kunnen uitstromen naar een andere verwante opleiding.
3. Aan de instelling die de aanvraag indient, mag binnen het opleidingsdomein van de kwalificatie waarop het landelijke deel is gebaseerd niet een waarschuwing van kracht zijn als bedoeld in artikel 6.1.5, 6.1.5b, tweede lid, 6.2.3en 6.2.3b, tweede lid, van de wetof een besluit zijn genomen als bedoeld in artikel 6.1.4, 6.1.5b, eerste lid, 6.2.2en 6.2.3b, eerste lid, van de wet.
4. De instelling die de aanvraag indient, mag op basis van het onderzoekskader, bedoeld in artikel 13 van de Wet op het onderwijstoezicht, voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs:
a. geen oordeel onvoldoende op het kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en Ambitie van de inspectie hebben,
b. voor de kwalificatie waarop het landelijke deel is gebaseerd geen oordeel onvoldoende op het kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en Ambitie van de inspectie hebben,
c. voor de kwalificatie waarop het landelijke deel is gebaseerd geen oordeel onvoldoende op de standaard Kwaliteitsborging examinering en diplomering van de inspectie hebben,
d. voor de kwalificatie waarop het landelijke deel is gebaseerd geen eindoordeel onvoldoende of zeer zwak van de inspectie hebben.
2. De instelling voorziet in een terugvaloptie, waardoor studenten tussentijds kunnen uitstromen naar een andere verwante opleiding.
3. Aan de instelling die de aanvraag indient, mag binnen het opleidingsdomein van de kwalificatie waarop het landelijke deel is gebaseerd niet een waarschuwing van kracht zijn als bedoeld in artikel 6.1.5, 6.1.5b, tweede lid, 6.2.3en 6.2.3b, tweede lid, van de wetof een besluit zijn genomen als bedoeld in artikel 6.1.4, 6.1.5b, eerste lid, 6.2.2en 6.2.3b, eerste lid, van de wet.
4. De instelling die de aanvraag indient, mag op basis van het onderzoekskader, bedoeld in artikel 13 van de Wet op het onderwijstoezicht, voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs:
a. geen oordeel onvoldoende op het kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en Ambitie van de inspectie hebben,
b. voor de kwalificatie waarop het landelijke deel is gebaseerd geen oordeel onvoldoende op het kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en Ambitie van de inspectie hebben,
c. voor de kwalificatie waarop het landelijke deel is gebaseerd geen oordeel onvoldoende op de standaard Kwaliteitsborging examinering en diplomering van de inspectie hebben,
d. voor de kwalificatie waarop het landelijke deel is gebaseerd geen eindoordeel onvoldoende of zeer zwak van de inspectie hebben.