BWBR0041632
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 9
Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden 2019
1. Een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat kan worden belast met de uitvoering van een bevel tot observatie, tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie, indien hij
a. in die vreemde staat beschikt over de bevoegdheid tot opsporing van strafbare feiten, en
b. beschikt over de kennis en vaardigheden, benodigd voor de uitvoering van het bevel.
2. Indien de persoon in de openbare dienst van een vreemde staat wordt belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie beoordeelt het hoofd van het team van de Eenheid landelijke opsporing en interventies, dat is belast met de operationele ondersteuning van de infiltratieteams, of voldaan wordt aan het vereiste in het eerste lid, onderdeel b, en adviseert hij de officier van justitie terzake. Indien nodig stemt hij dit af met het desbetreffende hoofd van een infiltratieteam als bedoeld in de artikelen 5en 6.
3. Een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat wordt niet belast met de uitvoering van een bevel als bedoeld in het eerste lid, indien de officier van justitie tot het oordeel komt dat de ambtsinstructie waaraan die persoon gebonden is, terzake van die uitvoering niet verenigbaar is met het in Nederland geldende recht.
a. in die vreemde staat beschikt over de bevoegdheid tot opsporing van strafbare feiten, en
b. beschikt over de kennis en vaardigheden, benodigd voor de uitvoering van het bevel.
2. Indien de persoon in de openbare dienst van een vreemde staat wordt belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie, tot pseudo-koop of -dienstverlening of tot stelselmatige inwinning van informatie beoordeelt het hoofd van het team van de Eenheid landelijke opsporing en interventies, dat is belast met de operationele ondersteuning van de infiltratieteams, of voldaan wordt aan het vereiste in het eerste lid, onderdeel b, en adviseert hij de officier van justitie terzake. Indien nodig stemt hij dit af met het desbetreffende hoofd van een infiltratieteam als bedoeld in de artikelen 5en 6.
3. Een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat wordt niet belast met de uitvoering van een bevel als bedoeld in het eerste lid, indien de officier van justitie tot het oordeel komt dat de ambtsinstructie waaraan die persoon gebonden is, terzake van die uitvoering niet verenigbaar is met het in Nederland geldende recht.