BWBR0041632
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 3
Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden 2019
1. Een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen b, c, en den 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvorderingkan worden belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie of tot stelselmatige inwinning van informatie, indien hij lid is van een infiltratieteam.
2. Een opsporingsambtenaar als bedoeld in het eerste lid kan als lid worden geplaatst bij een infiltratieteam, indien:
a. hij heeft voldaan aan de kwalificaties van een door Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Politiewet 2012, en
b. door of namens Onze Minister onder wiens verantwoordelijkheid hij werkzaam is toestemming is gegeven voor de plaatsing.
3. Door of namens Onze Minister onder wiens verantwoordelijkheid de opsporingsambtenaar werkzaam is of door de korpschef worden voorschriften opgesteld omtrent de plaatsing en de uit te voeren werkzaamheden.
4. Door of namens Onze Minister onder wiens verantwoordelijkheid de opsporingsambtenaar werkzaam is of door de korpschef wordt bewerkstelligd dat de kennis en vaardigheden van de opsporingsambtenaar worden onderhouden op het niveau dat tenminste voldoet aan de kwalificaties, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
2. Een opsporingsambtenaar als bedoeld in het eerste lid kan als lid worden geplaatst bij een infiltratieteam, indien:
a. hij heeft voldaan aan de kwalificaties van een door Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Politiewet 2012, en
b. door of namens Onze Minister onder wiens verantwoordelijkheid hij werkzaam is toestemming is gegeven voor de plaatsing.
3. Door of namens Onze Minister onder wiens verantwoordelijkheid de opsporingsambtenaar werkzaam is of door de korpschef worden voorschriften opgesteld omtrent de plaatsing en de uit te voeren werkzaamheden.
4. Door of namens Onze Minister onder wiens verantwoordelijkheid de opsporingsambtenaar werkzaam is of door de korpschef wordt bewerkstelligd dat de kennis en vaardigheden van de opsporingsambtenaar worden onderhouden op het niveau dat tenminste voldoet aan de kwalificaties, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.