BWBR0041001
Geldig vanaf 2018-06-12
Artikel 6
Mandaatregeling Defensie Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten 2017 en de Wet veiligheidsonderzoeken
1. Mandaat en machtiging worden verleend aan de directeur van de MIVD ten aanzien van het verlenen van toestemming voor de uitoefening van algemene en bijzondere bevoegdheden zoals bedoeld in:
a. artikel 38, eerste lid, van de Wiv;
b. artikel 40, eerste lid, van de Wiv, tenzij de toestemming in het concrete geval voor de eerste keer wordt verleend;
c. artikel 41, eerste lid, van de Wiv, tenzij: 1°. de natuurlijke persoon belast wordt met het verrichten van handelingen die tot gevolg hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit dan wel dat een strafbaar feit wordt gepleegd, of
2°. de toestemming in het concrete geval voor de eerste keer wordt verleend;
1°. de natuurlijke persoon belast wordt met het verrichten van handelingen die tot gevolg hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit dan wel dat een strafbaar feit wordt gepleegd, of
2°. de toestemming in het concrete geval voor de eerste keer wordt verleend;
d. artikel 42, eerste lid, onder a en b, van de Wiv, tenzij de toestemming in het concrete geval voor de eerste keer wordt verleend;
e. artikel 42, eerste lid, onder c, van de Wiv;
f. de artikelen 47, vijfde lid, 48, vierde lid, 49, vijfde lid, 50, derde lid en 55, eerste lid, van de Wiv;
g. artikel 58, derde lid, van de Wiv, indien de Minister toestemming heeft verleend voor inzet van bijzondere bevoegdheden binnen een woning en die toestemming rechtmatig is bevonden door de toetsingscommissie;
h. artikel 72, eerste lid, van de Wiv.
2. Het verlenen van toestemming voor de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden door de directeur MIVD is uitgesloten, indien de uitoefening van de bevoegdheden betrekking heeft op onderwerpen met een principieel beleidsmatig of politiek gevoelig karakter of wanneer de bevoegdheden worden uitgevoerd binnen woningen.
a. artikel 38, eerste lid, van de Wiv;
b. artikel 40, eerste lid, van de Wiv, tenzij de toestemming in het concrete geval voor de eerste keer wordt verleend;
c. artikel 41, eerste lid, van de Wiv, tenzij: 1°. de natuurlijke persoon belast wordt met het verrichten van handelingen die tot gevolg hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit dan wel dat een strafbaar feit wordt gepleegd, of
2°. de toestemming in het concrete geval voor de eerste keer wordt verleend;
1°. de natuurlijke persoon belast wordt met het verrichten van handelingen die tot gevolg hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit dan wel dat een strafbaar feit wordt gepleegd, of
2°. de toestemming in het concrete geval voor de eerste keer wordt verleend;
d. artikel 42, eerste lid, onder a en b, van de Wiv, tenzij de toestemming in het concrete geval voor de eerste keer wordt verleend;
e. artikel 42, eerste lid, onder c, van de Wiv;
f. de artikelen 47, vijfde lid, 48, vierde lid, 49, vijfde lid, 50, derde lid en 55, eerste lid, van de Wiv;
g. artikel 58, derde lid, van de Wiv, indien de Minister toestemming heeft verleend voor inzet van bijzondere bevoegdheden binnen een woning en die toestemming rechtmatig is bevonden door de toetsingscommissie;
h. artikel 72, eerste lid, van de Wiv.
2. Het verlenen van toestemming voor de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden door de directeur MIVD is uitgesloten, indien de uitoefening van de bevoegdheden betrekking heeft op onderwerpen met een principieel beleidsmatig of politiek gevoelig karakter of wanneer de bevoegdheden worden uitgevoerd binnen woningen.