BWBR0041001
Geldig vanaf 2018-06-12
Artikel 4
Mandaatregeling Defensie Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten 2017 en de Wet veiligheidsonderzoeken
1. Aan de directeur van de MIVD wordt mandaat en machtiging verleend ten aanzien van:
a. het afgeven van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 4 juncto artikel 2 van de Wvo;
b. het doen instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek als bedoeld in de artikelen 9 en 16 juncto artikel 2 Wvo;
c. het doen van mededelingen als bedoeld in artikel 13, zesde lid, juncto artikel 2 Wvo;
d. het aanwijzen van vertrouwensfuncties als bedoeld in artikel 3 juncto artikel 2 van de Wvo voor zover het functies betreft die als vertrouwensfunctie moeten worden aangemerkt in verband met de daarmee samenhangende noodzaak om toegang te hebben tot militaire installaties;
e. het aanwijzen van vertrouwensfuncties als bedoeld in artikel 3 juncto artikel 2 van de Wvo voor zover het vertrouwensfuncties betreft die worden uitgeoefend bij de MIVD;
f. stukken en het nemen van primaire besluiten met betrekking tot het weigeren dan wel intrekken van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in de artikelen 8 en 10 juncto artikel 2 van de Wvo.
2. Aan de directeur van de MIVD wordt wat betreft defensieorderbedrijven en TNO-defensieonderzoek mandaat en machtiging verleend ten aanzien van:
a. het in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aanwijzen van vertrouwensfuncties als bedoeld in artikel 3 van de Wvo;
b. het instemmen met de weigering van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot het afgeven van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8 van de Wvo;
c. het instemmen met de intrekking door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 10 van de Wvo.
3. In afwijking van het tweede lid zijn van mandaatverlening aan de directeur van de MIVD uitgesloten de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden voor zover respectievelijk de instemming, weigering of intrekking van de verklaring van geen bezwaar aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zelf is voorbehouden.
4. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur van de MIVD treedt diens plaatsvervanger voor de duur van de afwezigheid of verhindering in diens plaats.
5. De directeur van de MIVD wordt toegestaan ondermandaat en machtiging te verlenen ten aanzien van de bevoegdheden bedoeld in het eerste lid, onder a, aan onder hem ressorterende functionarissen en aan een niet onder hem ressorterende functionaris, te weten het hoofd van de unit veiligheidsonderzoeken.
6. De directeur van de MIVD wordt toegestaan schriftelijk ondermandaat te verlenen aan de plaatsvervangend directeur van de MIVD ten aanzien van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder f. Een afschrift van dit besluit wordt aan de Minister verzonden.
a. het afgeven van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 4 juncto artikel 2 van de Wvo;
b. het doen instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek als bedoeld in de artikelen 9 en 16 juncto artikel 2 Wvo;
c. het doen van mededelingen als bedoeld in artikel 13, zesde lid, juncto artikel 2 Wvo;
d. het aanwijzen van vertrouwensfuncties als bedoeld in artikel 3 juncto artikel 2 van de Wvo voor zover het functies betreft die als vertrouwensfunctie moeten worden aangemerkt in verband met de daarmee samenhangende noodzaak om toegang te hebben tot militaire installaties;
e. het aanwijzen van vertrouwensfuncties als bedoeld in artikel 3 juncto artikel 2 van de Wvo voor zover het vertrouwensfuncties betreft die worden uitgeoefend bij de MIVD;
f. stukken en het nemen van primaire besluiten met betrekking tot het weigeren dan wel intrekken van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in de artikelen 8 en 10 juncto artikel 2 van de Wvo.
2. Aan de directeur van de MIVD wordt wat betreft defensieorderbedrijven en TNO-defensieonderzoek mandaat en machtiging verleend ten aanzien van:
a. het in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aanwijzen van vertrouwensfuncties als bedoeld in artikel 3 van de Wvo;
b. het instemmen met de weigering van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot het afgeven van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8 van de Wvo;
c. het instemmen met de intrekking door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 10 van de Wvo.
3. In afwijking van het tweede lid zijn van mandaatverlening aan de directeur van de MIVD uitgesloten de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden voor zover respectievelijk de instemming, weigering of intrekking van de verklaring van geen bezwaar aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zelf is voorbehouden.
4. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur van de MIVD treedt diens plaatsvervanger voor de duur van de afwezigheid of verhindering in diens plaats.
5. De directeur van de MIVD wordt toegestaan ondermandaat en machtiging te verlenen ten aanzien van de bevoegdheden bedoeld in het eerste lid, onder a, aan onder hem ressorterende functionarissen en aan een niet onder hem ressorterende functionaris, te weten het hoofd van de unit veiligheidsonderzoeken.
6. De directeur van de MIVD wordt toegestaan schriftelijk ondermandaat te verlenen aan de plaatsvervangend directeur van de MIVD ten aanzien van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder f. Een afschrift van dit besluit wordt aan de Minister verzonden.