BWBR0040886
Geldig vanaf 2018-05-15
Artikel 4
Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied physician assistant
1. De competentie medische deskundigheid omvat de bekwaamheid om:
a. met betrekking tot veelvoorkomende aandoeningen, doeltreffende, ethisch verantwoorde diagnostische, therapeutische, prognostische en op het individu gerichte preventieve vaardigheden toe te passen in de praktijk;
b. relevante informatie aangaande diagnostische, therapeutische, prognostische en op het individu gerichte preventieve opties op te zoeken en te integreren in de klinische praktijk;
c. doeltreffend in woord en geschrift te communiceren met andere zorgverleners over de aan hem toevertrouwde patiëntenzorg;
d. medische deskundigheid te tonen in situaties die niet te maken hebben met directe patiëntenzorg.
2. De competentie communicatie omvat de bekwaamheid om:
a. met patiënten een therapeutische relatie aan te gaan dan wel te onderhouden op basis van wederzijds begrip, empathie en vertrouwen;
b. informatie te verzamelen over de aandoening van de patiënt, van familie of van relevante derden uit de omgeving van de patiënt en de verzamelde informatie te integreren;
c. relevante informatie te bespreken met de patiënt, de familie of andere zorgverleners om zo optimale zorg aan de patiënt te leveren;
d. de patiënt en de bij de patiënt betrokkenen te begeleiden;
e. met diverse patiëntengroepen zoals kinderen, ouderen, mannen en vrouwen en patiënten met verschillende culturele achtergronden om te gaan.
3. De competentie organisatie omvat de bekwaamheid om:
a. doeltreffend gebruik te maken van informatietechnologie;
b. een visie en doelstelling te formuleren, een strategie te ontwikkelen en adequate actie te ondernemen en daarbij adequaat taken en verantwoordelijkheden te delegeren;
c. middelen effectief in te zetten voor gezondheidszorg, onderzoek en onderwijs.
d. goed geïnformeerd te zijn over het Nederlandse gezondheidszorgsysteem, de invloed hierop van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, en deze kennis doeltreffend en efficiënt te benutten voor de eigen functie en organisatie;
e. de uitgangspunten van kwaliteitszorg, zijnde bewaking, bevordering en waarborging, in de praktijk toe te passen.
4. De competentie samenwerking omvat de bekwaamheid om:
a. in samenspraak met de patiënt op doeltreffende wijze te komen tot samenwerking met andere zorgverleners binnen de gezondheidszorgorganisatie;
b. een doeltreffende bijdrage aan interdisciplinaire teams op het gebied van patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek te leveren.
5. De competentie kennis en wetenschap omvat de bekwaamheid om:
a. toegepast empirisch wetenschappelijk onderzoek op te zetten en uit te voeren;
b. de principes van kritisch denken toe te passen op bronnen van medische informatie en in interactie met anderen;
c. bij concrete beslissingen in de klinische praktijk het beschikbare wetenschappelijke bewijs te betrekken;
d. een persoonlijke leerstrategie te ontwikkelen, implementeren en documenteren.
6. De competentie maatschappelijk handelen omvat de bekwaamheid om:
a. kennis over de determinanten van gezondheid en ziekte toe te passen in de praktijk en mee te werken aan maatregelen die de gezondheid van individuen en groepen bevorderen;
b. risicovolle determinanten van gezondheid op het niveau van het individu, patiëntengroepen en maatschappij te herkennen;
c. adequaat te reageren op risicovolle determinanten van gezondheid op het niveau van het individu, patiënten-groepen en de maatschappij.
7. De competentie professionaliteit omvat de bekwaamheid om:
a. op een eerlijke, betrokken wijze hoog-gekwalificeerde zorg te leveren, met aandacht voor de integriteit van de patiënt;
b. adequaat professioneel gedrag te demonstreren in gezondheidszorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs;
c. geneeskunde te beoefenen op een ethisch verantwoorde manier, die de medische, juridische en professionele verplichtingen van het lidmaatschap van een zelfregulerende groep respecteert;
d. op sterke en zwakke kanten in het eigen functioneren te reflecteren en daardoor sturing te geven aan het eigen leerproces en verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen professionele groei, met als doel levenslange ontwikkeling als professional;
e. te reflecteren op het eigen handelen in de medische praktijk, in relatie tot de eigen gevoelens en cognities;
f. te reflecteren op de invloed van eigen attitude, normen en waarden op het eigen medisch handelen.
a. met betrekking tot veelvoorkomende aandoeningen, doeltreffende, ethisch verantwoorde diagnostische, therapeutische, prognostische en op het individu gerichte preventieve vaardigheden toe te passen in de praktijk;
b. relevante informatie aangaande diagnostische, therapeutische, prognostische en op het individu gerichte preventieve opties op te zoeken en te integreren in de klinische praktijk;
c. doeltreffend in woord en geschrift te communiceren met andere zorgverleners over de aan hem toevertrouwde patiëntenzorg;
d. medische deskundigheid te tonen in situaties die niet te maken hebben met directe patiëntenzorg.
2. De competentie communicatie omvat de bekwaamheid om:
a. met patiënten een therapeutische relatie aan te gaan dan wel te onderhouden op basis van wederzijds begrip, empathie en vertrouwen;
b. informatie te verzamelen over de aandoening van de patiënt, van familie of van relevante derden uit de omgeving van de patiënt en de verzamelde informatie te integreren;
c. relevante informatie te bespreken met de patiënt, de familie of andere zorgverleners om zo optimale zorg aan de patiënt te leveren;
d. de patiënt en de bij de patiënt betrokkenen te begeleiden;
e. met diverse patiëntengroepen zoals kinderen, ouderen, mannen en vrouwen en patiënten met verschillende culturele achtergronden om te gaan.
3. De competentie organisatie omvat de bekwaamheid om:
a. doeltreffend gebruik te maken van informatietechnologie;
b. een visie en doelstelling te formuleren, een strategie te ontwikkelen en adequate actie te ondernemen en daarbij adequaat taken en verantwoordelijkheden te delegeren;
c. middelen effectief in te zetten voor gezondheidszorg, onderzoek en onderwijs.
d. goed geïnformeerd te zijn over het Nederlandse gezondheidszorgsysteem, de invloed hierop van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, en deze kennis doeltreffend en efficiënt te benutten voor de eigen functie en organisatie;
e. de uitgangspunten van kwaliteitszorg, zijnde bewaking, bevordering en waarborging, in de praktijk toe te passen.
4. De competentie samenwerking omvat de bekwaamheid om:
a. in samenspraak met de patiënt op doeltreffende wijze te komen tot samenwerking met andere zorgverleners binnen de gezondheidszorgorganisatie;
b. een doeltreffende bijdrage aan interdisciplinaire teams op het gebied van patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek te leveren.
5. De competentie kennis en wetenschap omvat de bekwaamheid om:
a. toegepast empirisch wetenschappelijk onderzoek op te zetten en uit te voeren;
b. de principes van kritisch denken toe te passen op bronnen van medische informatie en in interactie met anderen;
c. bij concrete beslissingen in de klinische praktijk het beschikbare wetenschappelijke bewijs te betrekken;
d. een persoonlijke leerstrategie te ontwikkelen, implementeren en documenteren.
6. De competentie maatschappelijk handelen omvat de bekwaamheid om:
a. kennis over de determinanten van gezondheid en ziekte toe te passen in de praktijk en mee te werken aan maatregelen die de gezondheid van individuen en groepen bevorderen;
b. risicovolle determinanten van gezondheid op het niveau van het individu, patiëntengroepen en maatschappij te herkennen;
c. adequaat te reageren op risicovolle determinanten van gezondheid op het niveau van het individu, patiënten-groepen en de maatschappij.
7. De competentie professionaliteit omvat de bekwaamheid om:
a. op een eerlijke, betrokken wijze hoog-gekwalificeerde zorg te leveren, met aandacht voor de integriteit van de patiënt;
b. adequaat professioneel gedrag te demonstreren in gezondheidszorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs;
c. geneeskunde te beoefenen op een ethisch verantwoorde manier, die de medische, juridische en professionele verplichtingen van het lidmaatschap van een zelfregulerende groep respecteert;
d. op sterke en zwakke kanten in het eigen functioneren te reflecteren en daardoor sturing te geven aan het eigen leerproces en verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen professionele groei, met als doel levenslange ontwikkeling als professional;
e. te reflecteren op het eigen handelen in de medische praktijk, in relatie tot de eigen gevoelens en cognities;
f. te reflecteren op de invloed van eigen attitude, normen en waarden op het eigen medisch handelen.