BWBR0040783
Geldig vanaf 2018-03-31
Artikel 6
Regeling vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen Infrastructuur en Waterstaat 2018
1. De vertrouwenspersoon heeft op het terrein van de integriteit in elk geval de volgende taken en bevoegdheden:
a. het opvangen, begeleiden en van advies dienen van eenieder die zich als melder tot de vertrouwenspersoon wendt;
b. het met toestemming van de melder inwinnen van inlichtingen welke noodzakelijk zijn om een goed inzicht te verkrijgen in de melding;
c. het adviseren van de melder over eventuele vervolgstappen en het behulpzaam zijn van de melder bij eventuele vervolgstappen;
d. het verlenen van nazorg aan de melder;
e. het signaleren van knelpunten in de uitvoering van het beleid, het verstrekken van inlichtingen over de mogelijkheden tot voorkoming en bestrijding van niet integer gedrag in de organisatie en het geven van gevraagd of ongevraagd advies op deze gebieden aan het diensthoofd;
f. het geven van voorlichting op het gebied van de eigen rol in relatie tot niet integer en ongewenst gedrag;
g. het registreren van en jaarlijks rapporteren aan het diensthoofd over de ontvangen meldingen.
2. De vertrouwenspersoon heeft op het gebied van het melden van een vermoeden van een misstand de volgende taken:
a. het in overeenstemming met de melder doen van een melding aan het diensthoofd;
b. het te allen tijde doen van een melding aan het diensthoofd in geval van een (ambts)misdrijf;
c. het zich maximaal inzetten om de identiteit van de melder te beschermen indien deze dat wenst.
a. het opvangen, begeleiden en van advies dienen van eenieder die zich als melder tot de vertrouwenspersoon wendt;
b. het met toestemming van de melder inwinnen van inlichtingen welke noodzakelijk zijn om een goed inzicht te verkrijgen in de melding;
c. het adviseren van de melder over eventuele vervolgstappen en het behulpzaam zijn van de melder bij eventuele vervolgstappen;
d. het verlenen van nazorg aan de melder;
e. het signaleren van knelpunten in de uitvoering van het beleid, het verstrekken van inlichtingen over de mogelijkheden tot voorkoming en bestrijding van niet integer gedrag in de organisatie en het geven van gevraagd of ongevraagd advies op deze gebieden aan het diensthoofd;
f. het geven van voorlichting op het gebied van de eigen rol in relatie tot niet integer en ongewenst gedrag;
g. het registreren van en jaarlijks rapporteren aan het diensthoofd over de ontvangen meldingen.
2. De vertrouwenspersoon heeft op het gebied van het melden van een vermoeden van een misstand de volgende taken:
a. het in overeenstemming met de melder doen van een melding aan het diensthoofd;
b. het te allen tijde doen van een melding aan het diensthoofd in geval van een (ambts)misdrijf;
c. het zich maximaal inzetten om de identiteit van de melder te beschermen indien deze dat wenst.