BWBR0040407
Geldig vanaf 2017-12-23
Artikel 25
Besluit experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie
Onze Minister evalueert het experiment in ieder geval op basis van de volgende aspecten:
a. de kwaliteitscultuur binnen de deelnemende instelling, waarbij in ieder geval wordt onderzocht op welke wijze; 1°. de geboden experimenteerruimte ten aanzien van de invulling van de kwaliteitsaspecten II van invloed is geweest op het interne kwaliteitszorgsysteem en op het accreditatieproces;
2°. de geboden experimenteerruimte om verschillende panels in te richten voor de kwaliteitsaspecten I en de kwaliteitsaspecten II van invloed is geweest op het accreditatieproces;
3°. de deelnemende instellingen uitwerking hebben gegeven aan onderlinge vergelijkbaarheid van de kwaliteitsaspecten I;
4°. de deelnemende instellingen vorm hebben geven aan openbaarmaking van het rapport, bedoeld in artikel 16;
5°. door de deelnemende instellingen uitwerking is gegeven aan de overige ruimte die het experiment biedt om het accreditatieproces in te richten;
1°. de geboden experimenteerruimte ten aanzien van de invulling van de kwaliteitsaspecten II van invloed is geweest op het interne kwaliteitszorgsysteem en op het accreditatieproces;
2°. de geboden experimenteerruimte om verschillende panels in te richten voor de kwaliteitsaspecten I en de kwaliteitsaspecten II van invloed is geweest op het accreditatieproces;
3°. de deelnemende instellingen uitwerking hebben gegeven aan onderlinge vergelijkbaarheid van de kwaliteitsaspecten I;
4°. de deelnemende instellingen vorm hebben geven aan openbaarmaking van het rapport, bedoeld in artikel 16;
5°. door de deelnemende instellingen uitwerking is gegeven aan de overige ruimte die het experiment biedt om het accreditatieproces in te richten;
b. het eigenaarschap van studenten en docenten, waarbij in ieder geval wordt onderzocht op welke wijze de geboden experimenteerruimte van invloed is geweest op de rol en het vertrouwen van studenten en docenten in het accreditatieproces;
c. de doelmatigheid van instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie, waarbij in ieder geval wordt onderzocht welk effect de instellingsaccreditatie heeft op; 1°. de administratieve lasten in het accreditatieproces;
2°. de lasten en de ervaren lasten van studenten en docenten in het accreditatieproces;
3°. de baten van het accreditatieproces.
1°. de administratieve lasten in het accreditatieproces;
2°. de lasten en de ervaren lasten van studenten en docenten in het accreditatieproces;
3°. de baten van het accreditatieproces.
a. de kwaliteitscultuur binnen de deelnemende instelling, waarbij in ieder geval wordt onderzocht op welke wijze; 1°. de geboden experimenteerruimte ten aanzien van de invulling van de kwaliteitsaspecten II van invloed is geweest op het interne kwaliteitszorgsysteem en op het accreditatieproces;
2°. de geboden experimenteerruimte om verschillende panels in te richten voor de kwaliteitsaspecten I en de kwaliteitsaspecten II van invloed is geweest op het accreditatieproces;
3°. de deelnemende instellingen uitwerking hebben gegeven aan onderlinge vergelijkbaarheid van de kwaliteitsaspecten I;
4°. de deelnemende instellingen vorm hebben geven aan openbaarmaking van het rapport, bedoeld in artikel 16;
5°. door de deelnemende instellingen uitwerking is gegeven aan de overige ruimte die het experiment biedt om het accreditatieproces in te richten;
1°. de geboden experimenteerruimte ten aanzien van de invulling van de kwaliteitsaspecten II van invloed is geweest op het interne kwaliteitszorgsysteem en op het accreditatieproces;
2°. de geboden experimenteerruimte om verschillende panels in te richten voor de kwaliteitsaspecten I en de kwaliteitsaspecten II van invloed is geweest op het accreditatieproces;
3°. de deelnemende instellingen uitwerking hebben gegeven aan onderlinge vergelijkbaarheid van de kwaliteitsaspecten I;
4°. de deelnemende instellingen vorm hebben geven aan openbaarmaking van het rapport, bedoeld in artikel 16;
5°. door de deelnemende instellingen uitwerking is gegeven aan de overige ruimte die het experiment biedt om het accreditatieproces in te richten;
b. het eigenaarschap van studenten en docenten, waarbij in ieder geval wordt onderzocht op welke wijze de geboden experimenteerruimte van invloed is geweest op de rol en het vertrouwen van studenten en docenten in het accreditatieproces;
c. de doelmatigheid van instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie, waarbij in ieder geval wordt onderzocht welk effect de instellingsaccreditatie heeft op; 1°. de administratieve lasten in het accreditatieproces;
2°. de lasten en de ervaren lasten van studenten en docenten in het accreditatieproces;
3°. de baten van het accreditatieproces.
1°. de administratieve lasten in het accreditatieproces;
2°. de lasten en de ervaren lasten van studenten en docenten in het accreditatieproces;
3°. de baten van het accreditatieproces.