BWBR0040211
Geldig vanaf 2017-11-18
Artikel 3
Sanctieregeling Noord-Korea 2017
1. Het is verboden om gespecialiseerde kennis die rechtstreeks of middellijk bijdraagt of kan bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Noord-Korea of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Noord-Korea aan te bieden aan personen die niet beschikken over een ontheffing van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, strekt zich niet uit tot de verstrekking van kennis in het kader van bacheloropleidingen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/7.3a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7.3a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek</a>.
3. In de bij deze regeling behorende bijlagewordt vermeld op welke gebieden van onderwijs en onderzoek het verbod, bedoeld in het eerste lid, in elk geval betrekking heeft.
4. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verleent de gevraagde ontheffing tenzij hij het risico onaanvaardbaar groot acht dat het aanbieden van de bedoelde kennis aan de persoon voor wie de ontheffing is gevraagd, zal bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Noord-Korea of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Noord-Korea.
5. Het is verboden op wetenschappelijk of technisch gebied samen te werken met personen of entiteiten die gefinancierd worden door Noord-Korea of die Noord-Korea vertegenwoordigen.
6. Het verbod, bedoeld in het vijfde lid, geldt niet:
a. voor medische uitwisselingen,
b. voor wetenschappelijke of technische samenwerking op het gebied van nucleaire wetenschap en technologie, ruimtevaarttechniek, luchtvaarttechniek en luchtvaarttechnologie, dan wel geavanceerde productietechnieken en productiemethoden in gevallen waarin het Comité, bedoeld in punt 12 van Resolutie 1718 (2006), heeft vastgesteld dat een specifieke activiteit niet zal bijdragen aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten of met ballistische raketten verband houdende programma's van Noord-Korea, en
c. voor overige wetenschappelijke of technische samenwerking in gevallen waarin de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, na voorafgaande kennisgeving aan het Comité, heeft vastgesteld dat een specifieke activiteit niet zal bijdragen aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten of met ballistische raketten verband houdende programma's van Noord-Korea.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, strekt zich niet uit tot de verstrekking van kennis in het kader van bacheloropleidingen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/7.3a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7.3a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek</a>.
3. In de bij deze regeling behorende bijlagewordt vermeld op welke gebieden van onderwijs en onderzoek het verbod, bedoeld in het eerste lid, in elk geval betrekking heeft.
4. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verleent de gevraagde ontheffing tenzij hij het risico onaanvaardbaar groot acht dat het aanbieden van de bedoelde kennis aan de persoon voor wie de ontheffing is gevraagd, zal bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Noord-Korea of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Noord-Korea.
5. Het is verboden op wetenschappelijk of technisch gebied samen te werken met personen of entiteiten die gefinancierd worden door Noord-Korea of die Noord-Korea vertegenwoordigen.
6. Het verbod, bedoeld in het vijfde lid, geldt niet:
a. voor medische uitwisselingen,
b. voor wetenschappelijke of technische samenwerking op het gebied van nucleaire wetenschap en technologie, ruimtevaarttechniek, luchtvaarttechniek en luchtvaarttechnologie, dan wel geavanceerde productietechnieken en productiemethoden in gevallen waarin het Comité, bedoeld in punt 12 van Resolutie 1718 (2006), heeft vastgesteld dat een specifieke activiteit niet zal bijdragen aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten of met ballistische raketten verband houdende programma's van Noord-Korea, en
c. voor overige wetenschappelijke of technische samenwerking in gevallen waarin de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, na voorafgaande kennisgeving aan het Comité, heeft vastgesteld dat een specifieke activiteit niet zal bijdragen aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten of met ballistische raketten verband houdende programma's van Noord-Korea.