BWBR0040133
Geldig vanaf 2018-01-01
Artikel 3
Regeling Commissie beoordeling uitingen maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef
1. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden.
2. De commissieleden maken geen deel uit van het ministerie en zijn ook overigens niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister.
3. De commissieleden worden door de minister benoemd voor een termijn van vier jaar. De commissieleden kunnen worden herbenoemd.
4. De commissieleden voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>.
5. Ten minste één commissielid beschikt over deskundigheid met betrekking tot gelijke behandeling en mensenrechten, ten minste één lid beschikt over deskundigheid op het gebied van het onderwijsrecht en ten minste één lid beschikt over ervaring als rechter.
6. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.
7. De commissieleden kunnen om zwaarwegende redenen worden geschorst en ontslagen door de minister.
8. Indien een commissielid zich in verband met belangenverstrengeling tijdelijk van zijn taak dient te verschonen, benoemt de minister in zijn plaats een tijdelijk lid met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, vierde en vijfde lid. Deze tijdelijke benoeming behoeft de instemming van de overige leden van de commissie.
2. De commissieleden maken geen deel uit van het ministerie en zijn ook overigens niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister.
3. De commissieleden worden door de minister benoemd voor een termijn van vier jaar. De commissieleden kunnen worden herbenoemd.
4. De commissieleden voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>.
5. Ten minste één commissielid beschikt over deskundigheid met betrekking tot gelijke behandeling en mensenrechten, ten minste één lid beschikt over deskundigheid op het gebied van het onderwijsrecht en ten minste één lid beschikt over ervaring als rechter.
6. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.
7. De commissieleden kunnen om zwaarwegende redenen worden geschorst en ontslagen door de minister.
8. Indien een commissielid zich in verband met belangenverstrengeling tijdelijk van zijn taak dient te verschonen, benoemt de minister in zijn plaats een tijdelijk lid met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, vierde en vijfde lid. Deze tijdelijke benoeming behoeft de instemming van de overige leden van de commissie.