BWBR0039965
Geldig vanaf 2017-09-12
Artikel 5
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal Nederlandse Arbeidsinspectie 2017
Elk van de directeuren is verantwoordelijk voor:
a. het leiding geven aan de eigen directie;
b. het door tussenkomst van de inspecteur-generaal adviseren van de bewindspersonen ten aanzien van het werkterrein van de eigen directie en het attenderen van hen op politiek en maatschappelijk gevoelige aspecten;
c. het binnen de door de inspecteur-generaal gestelde kaders zorg dragen voor een effectieve en efficiënte organisatie, met uitzondering van de vaststelling van de formatie, voor periodieke evaluatie daarvan en voor de planning en bewaking van de productie van de eigen directie;
d. personeelsaangelegenheden van de onder elk van hen ressorterende functionarissen, met inbegrip van de uitvoering van het arbeidsomstandigheden- en ziekteverzuimbeleid, voor zover dit niet is voorbehouden aan de secretaris-generaal, de inspecteur-generaal dan wel de directeur Analyse, Programmering en Strategie;
e. het zorg dragen voor de administratieve en financiële afhandeling van de uitvoering van de eigen personeelsaangelegenheden voor zover deze niet is opgedragen aan anderen, zoals de directeur Analyse, Programmering en Strategie, de directeur Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel van het ministerie en de Stichting Pensioenfonds ABP;
f. het op orde hebben van de administratieve organisatie, voor zover deze niet is belegd bij de directeur Analyse, Programmering en Strategie;
g. het leveren van een bijdrage betreffende zijn directie aan het meerjarig strategisch plan, het jaarplan en het jaarverslag van de Nederlandse Arbeidsinspectie;
h. het voorbereiden en uitvoeren van het de eigen directie betreffende deel van het jaarplan binnen de door de secretaris-generaal en inspecteur-generaal vastgestelde uitgangspunten;
i. het rapporteren aan de inspecteur-generaal over de uitvoering van het de eigen directie betreffende deel van het jaarplan;
j. het na overeenstemming daarover met de inspecteur-generaal aanwijzen van een plaatsvervangend directeur;
k. het zorg dragen voor de vastlegging van de organisatie van de eigen directie en de daarbinnen geldende mandaten, volmachten en machtigingen in een organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit voor de eigen directie;
l. het behandelen van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover deze betrekking hebben op de gedragingen van de onder hen ressorterende functionarissen.
a. het leiding geven aan de eigen directie;
b. het door tussenkomst van de inspecteur-generaal adviseren van de bewindspersonen ten aanzien van het werkterrein van de eigen directie en het attenderen van hen op politiek en maatschappelijk gevoelige aspecten;
c. het binnen de door de inspecteur-generaal gestelde kaders zorg dragen voor een effectieve en efficiënte organisatie, met uitzondering van de vaststelling van de formatie, voor periodieke evaluatie daarvan en voor de planning en bewaking van de productie van de eigen directie;
d. personeelsaangelegenheden van de onder elk van hen ressorterende functionarissen, met inbegrip van de uitvoering van het arbeidsomstandigheden- en ziekteverzuimbeleid, voor zover dit niet is voorbehouden aan de secretaris-generaal, de inspecteur-generaal dan wel de directeur Analyse, Programmering en Strategie;
e. het zorg dragen voor de administratieve en financiële afhandeling van de uitvoering van de eigen personeelsaangelegenheden voor zover deze niet is opgedragen aan anderen, zoals de directeur Analyse, Programmering en Strategie, de directeur Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel van het ministerie en de Stichting Pensioenfonds ABP;
f. het op orde hebben van de administratieve organisatie, voor zover deze niet is belegd bij de directeur Analyse, Programmering en Strategie;
g. het leveren van een bijdrage betreffende zijn directie aan het meerjarig strategisch plan, het jaarplan en het jaarverslag van de Nederlandse Arbeidsinspectie;
h. het voorbereiden en uitvoeren van het de eigen directie betreffende deel van het jaarplan binnen de door de secretaris-generaal en inspecteur-generaal vastgestelde uitgangspunten;
i. het rapporteren aan de inspecteur-generaal over de uitvoering van het de eigen directie betreffende deel van het jaarplan;
j. het na overeenstemming daarover met de inspecteur-generaal aanwijzen van een plaatsvervangend directeur;
k. het zorg dragen voor de vastlegging van de organisatie van de eigen directie en de daarbinnen geldende mandaten, volmachten en machtigingen in een organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit voor de eigen directie;
l. het behandelen van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover deze betrekking hebben op de gedragingen van de onder hen ressorterende functionarissen.