BWBR0039607
Geldig vanaf 2017-06-03
Artikel 6
Subsidieregeling Internationalisering po en vo
1. Een beschikking tot subsidieverstrekking wordt gegeven binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag. De subsidie wordt direct vastgesteld.
2. Subsidie wordt verstrekt indien is voldaan aan de volgende criteria:
a. Algemene criteria: 1. indien het gaat om een instelling die wil starten met internationalisering, toont de subsidieaanvrager aan dat internationalisering verankerd gaat worden in het schoolbeleid en dat de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit daaraan bijdraagt;
2. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, toont de subsidieaanvrager aan dat internationalisering is verankerd in het schoolbeleid door opname in schoolplan, een beleidsplan internationalisering of het toerusten van een coördinator of commissie internationalisering;
1. indien het gaat om een instelling die wil starten met internationalisering, toont de subsidieaanvrager aan dat internationalisering verankerd gaat worden in het schoolbeleid en dat de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit daaraan bijdraagt;
2. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, toont de subsidieaanvrager aan dat internationalisering is verankerd in het schoolbeleid door opname in schoolplan, een beleidsplan internationalisering of het toerusten van een coördinator of commissie internationalisering;
b. Specifiek voor leerlingenmobiliteit of lerarenmobiliteit: 1. de subsidieaanvrager toont aan dat de leeropbrengsten van de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit breed worden verspreid binnen de school;
2. de subsidieaanvrager toont aan dat in de activiteit het contact tussen leerlingen centraal staat;
3. de subsidieaanvrager toont aan dat er sprake is van samenwerking tussen de subsidieaanvrager en een buitenlandse school, in de zin dat beide onderwijskundig en organisatorisch bijdragen aan de met de subsidie samenhangende activiteit, met dien verstande dat indien de subsidieaanvrager een instelling is op het Caribisch deel van het Koninkrijk, scholen op het Europese deel van het Koninkrijk tevens als buitenlandse school worden aangemerkt;
4. de leeropbrengst wordt gedeeld met andere scholen;
5. de subsidieaanvrager toont aan dat de financiële bijdrage van de instelling minimaal 20% bedraagt van de totaal begrote kosten.
1. de subsidieaanvrager toont aan dat de leeropbrengsten van de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit breed worden verspreid binnen de school;
2. de subsidieaanvrager toont aan dat in de activiteit het contact tussen leerlingen centraal staat;
3. de subsidieaanvrager toont aan dat er sprake is van samenwerking tussen de subsidieaanvrager en een buitenlandse school, in de zin dat beide onderwijskundig en organisatorisch bijdragen aan de met de subsidie samenhangende activiteit, met dien verstande dat indien de subsidieaanvrager een instelling is op het Caribisch deel van het Koninkrijk, scholen op het Europese deel van het Koninkrijk tevens als buitenlandse school worden aangemerkt;
4. de leeropbrengst wordt gedeeld met andere scholen;
5. de subsidieaanvrager toont aan dat de financiële bijdrage van de instelling minimaal 20% bedraagt van de totaal begrote kosten.
c. Specifiek voor internationaliserende onderwijsconcepten: 1. de instelling toont op basis van een beleidsplan of plan van aanpak aan ook zelf bij te dragen in de begrote kosten;
2. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, toont de instelling aan dat de leeropbrengsten worden gedeeld met andere scholen;
3. indien de subsidieaanvraag samenhangt met tto of vvto vinden de activiteiten plaats binnen de reguliere lesuren en is 50% van de subsidie bestemd voor scholing of nascholing van leraren.
4. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, draagt de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit bij aan samenwerking tussen scholen uit het primair en voortgezet onderwijs of de doorlopende leerlijn.
1. de instelling toont op basis van een beleidsplan of plan van aanpak aan ook zelf bij te dragen in de begrote kosten;
2. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, toont de instelling aan dat de leeropbrengsten worden gedeeld met andere scholen;
3. indien de subsidieaanvraag samenhangt met tto of vvto vinden de activiteiten plaats binnen de reguliere lesuren en is 50% van de subsidie bestemd voor scholing of nascholing van leraren.
4. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, draagt de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit bij aan samenwerking tussen scholen uit het primair en voortgezet onderwijs of de doorlopende leerlijn.
3. Voorts wordt subsidie slechts verstrekt indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, niet reeds via het subsidieprogramma Erasmus+ worden gesubsidieerd;
b. op de buitenlandse partnerinstelling niet Nederlands als instructietaal wordt gebruikt, tenzij de instelling zich in Vlaanderen bevindt;
c. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingen- en lerarenmobiliteit en studentenstages zich niet bevindt op Bonaire, Saba of St. Eustatius;
d. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingenmobiliteit en studentenstages geen commerciële instelling is;
e. bij aanvragen waarbij de te subsidiëren activiteiten betrekking hebben op het curriculum niet reeds in drie voorafgaande jaren subsidie is ontvangen op grond van deze regeling of de Subsidieregeling Verankering van Internationale Oriëntatie en Samenwerking po en vo; en
f. de activiteiten geen betrekking hebben op tpo.
2. Subsidie wordt verstrekt indien is voldaan aan de volgende criteria:
a. Algemene criteria: 1. indien het gaat om een instelling die wil starten met internationalisering, toont de subsidieaanvrager aan dat internationalisering verankerd gaat worden in het schoolbeleid en dat de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit daaraan bijdraagt;
2. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, toont de subsidieaanvrager aan dat internationalisering is verankerd in het schoolbeleid door opname in schoolplan, een beleidsplan internationalisering of het toerusten van een coördinator of commissie internationalisering;
1. indien het gaat om een instelling die wil starten met internationalisering, toont de subsidieaanvrager aan dat internationalisering verankerd gaat worden in het schoolbeleid en dat de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit daaraan bijdraagt;
2. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, toont de subsidieaanvrager aan dat internationalisering is verankerd in het schoolbeleid door opname in schoolplan, een beleidsplan internationalisering of het toerusten van een coördinator of commissie internationalisering;
b. Specifiek voor leerlingenmobiliteit of lerarenmobiliteit: 1. de subsidieaanvrager toont aan dat de leeropbrengsten van de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit breed worden verspreid binnen de school;
2. de subsidieaanvrager toont aan dat in de activiteit het contact tussen leerlingen centraal staat;
3. de subsidieaanvrager toont aan dat er sprake is van samenwerking tussen de subsidieaanvrager en een buitenlandse school, in de zin dat beide onderwijskundig en organisatorisch bijdragen aan de met de subsidie samenhangende activiteit, met dien verstande dat indien de subsidieaanvrager een instelling is op het Caribisch deel van het Koninkrijk, scholen op het Europese deel van het Koninkrijk tevens als buitenlandse school worden aangemerkt;
4. de leeropbrengst wordt gedeeld met andere scholen;
5. de subsidieaanvrager toont aan dat de financiële bijdrage van de instelling minimaal 20% bedraagt van de totaal begrote kosten.
1. de subsidieaanvrager toont aan dat de leeropbrengsten van de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit breed worden verspreid binnen de school;
2. de subsidieaanvrager toont aan dat in de activiteit het contact tussen leerlingen centraal staat;
3. de subsidieaanvrager toont aan dat er sprake is van samenwerking tussen de subsidieaanvrager en een buitenlandse school, in de zin dat beide onderwijskundig en organisatorisch bijdragen aan de met de subsidie samenhangende activiteit, met dien verstande dat indien de subsidieaanvrager een instelling is op het Caribisch deel van het Koninkrijk, scholen op het Europese deel van het Koninkrijk tevens als buitenlandse school worden aangemerkt;
4. de leeropbrengst wordt gedeeld met andere scholen;
5. de subsidieaanvrager toont aan dat de financiële bijdrage van de instelling minimaal 20% bedraagt van de totaal begrote kosten.
c. Specifiek voor internationaliserende onderwijsconcepten: 1. de instelling toont op basis van een beleidsplan of plan van aanpak aan ook zelf bij te dragen in de begrote kosten;
2. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, toont de instelling aan dat de leeropbrengsten worden gedeeld met andere scholen;
3. indien de subsidieaanvraag samenhangt met tto of vvto vinden de activiteiten plaats binnen de reguliere lesuren en is 50% van de subsidie bestemd voor scholing of nascholing van leraren.
4. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, draagt de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit bij aan samenwerking tussen scholen uit het primair en voortgezet onderwijs of de doorlopende leerlijn.
1. de instelling toont op basis van een beleidsplan of plan van aanpak aan ook zelf bij te dragen in de begrote kosten;
2. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, toont de instelling aan dat de leeropbrengsten worden gedeeld met andere scholen;
3. indien de subsidieaanvraag samenhangt met tto of vvto vinden de activiteiten plaats binnen de reguliere lesuren en is 50% van de subsidie bestemd voor scholing of nascholing van leraren.
4. indien het gaat om een instelling die reeds met internationalisering is gestart en die internationalisering verder wil ontwikkelen, draagt de met de subsidieaanvraag samenhangende activiteit bij aan samenwerking tussen scholen uit het primair en voortgezet onderwijs of de doorlopende leerlijn.
3. Voorts wordt subsidie slechts verstrekt indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, niet reeds via het subsidieprogramma Erasmus+ worden gesubsidieerd;
b. op de buitenlandse partnerinstelling niet Nederlands als instructietaal wordt gebruikt, tenzij de instelling zich in Vlaanderen bevindt;
c. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingen- en lerarenmobiliteit en studentenstages zich niet bevindt op Bonaire, Saba of St. Eustatius;
d. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingenmobiliteit en studentenstages geen commerciële instelling is;
e. bij aanvragen waarbij de te subsidiëren activiteiten betrekking hebben op het curriculum niet reeds in drie voorafgaande jaren subsidie is ontvangen op grond van deze regeling of de Subsidieregeling Verankering van Internationale Oriëntatie en Samenwerking po en vo; en
f. de activiteiten geen betrekking hebben op tpo.