BWBR0039392
Geldig vanaf 2017-03-30
Artikel 3
Mandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden Openbaar Ministerie 2017
Aan het College wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de minister behorende aangelegenheden op het terrein van het Openbaar Ministerie, met uitzondering van:
a. het nemen van besluiten en het voeren van correspondentie neergelegd in een document, gericht tot: 1°. de Koning;
2°. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
3°. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;
4°. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State;
5°. de president van de Algemene Rekenkamer;
6°. de Nationale ombudsman voor zover het gaat om het geven van een verbod als bedoeld in artikel 14 Wet Nationale ombudsman.
1°. de Koning;
2°. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
3°. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;
4°. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State;
5°. de president van de Algemene Rekenkamer;
6°. de Nationale ombudsman voor zover het gaat om het geven van een verbod als bedoeld in artikel 14 Wet Nationale ombudsman.
b. De bevoegdheden die in artikel 2, eerste lid onder a en b aan de secretaris-generaal zijn verleend.
a. het nemen van besluiten en het voeren van correspondentie neergelegd in een document, gericht tot: 1°. de Koning;
2°. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
3°. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;
4°. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State;
5°. de president van de Algemene Rekenkamer;
6°. de Nationale ombudsman voor zover het gaat om het geven van een verbod als bedoeld in artikel 14 Wet Nationale ombudsman.
1°. de Koning;
2°. de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
3°. de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;
4°. de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State;
5°. de president van de Algemene Rekenkamer;
6°. de Nationale ombudsman voor zover het gaat om het geven van een verbod als bedoeld in artikel 14 Wet Nationale ombudsman.
b. De bevoegdheden die in artikel 2, eerste lid onder a en b aan de secretaris-generaal zijn verleend.