BWBR0039313
Geldig vanaf 2018-07-10
Artikel 13
Subsidieregeling doorstroom mbo-hbo
1. De subsidie van € 25.000,– tot € 125.000,– wordt direct vastgesteld binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag. In afwijking van artikel 6.1, tweede lid, van de kaderregelingbetaalt de minister per kwartaal een gelijk deel van het subsidiebedrag. Indien de activiteiten volledig zijn uitgevoerd en aan alle verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt. De verantwoording geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijsmet model G onderdeel 1. De verwerking van niet-bestede middelen geschiedt in de jaarrekening van het laatste jaar van besteding.
2. De subsidie van € 125.000,– en meer wordt verleend binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag. De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend. In afwijking van artikel 6.1, tweede lid, van de kaderregelingverleent de minister een voorschot van 100% en betaalt per kwartaal een gelijk deel van het subsidiebedrag. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijsmet model G onderdeel 2. De verwerking van niet-bestede middelen geschiedt in de jaarrekening van het laatste jaar van besteding. De vaststelling vindt plaats binnen een jaar na de indiening van het jaarverslag over het laatste jaar van besteding. Niet-bestede middelen worden teruggevorderd.
2. De subsidie van € 125.000,– en meer wordt verleend binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag. De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend. In afwijking van artikel 6.1, tweede lid, van de kaderregelingverleent de minister een voorschot van 100% en betaalt per kwartaal een gelijk deel van het subsidiebedrag. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijsmet model G onderdeel 2. De verwerking van niet-bestede middelen geschiedt in de jaarrekening van het laatste jaar van besteding. De vaststelling vindt plaats binnen een jaar na de indiening van het jaarverslag over het laatste jaar van besteding. Niet-bestede middelen worden teruggevorderd.