BWBR0039258
Geldig vanaf 2017-04-01
Artikel 5
Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet
1. Een experiment als bedoeld in artikel 2betreft:
a. de voorziening voor een ontheffingsgroep in een tijdelijke ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, gedurende de experimenteerperiode. Indien naar het oordeel van het college bij een tussentijdse evaluatie, na 6 maanden tijdens het eerste contactmoment blijkt dat er onvoldoende inspanningen zijn getroffen gericht op arbeidsinschakeling, volgt een aanzegging en bij geen verbetering na opnieuw 6 maanden beëindigt het college de tijdelijke ontheffing;
b. de voorziening voor een intensiveringsgroep in een tijdelijke intensivering van de arbeids- en re-integratieverplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, gedurende de experimenteerperiode, wat betekent ten minste een verdubbeling van het aantal fysieke contactmomenten en verplichtingen;
c. de voorziening voor een vrijlatinggroep voor wie inkomsten uit arbeid tot maximaal 50 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 199,00 per maand voor alleenstaanden en een maximum van € 199,00 gezamenlijk per maand voor gehuwden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten voor een periode van maximaal 2 jaar en 3 maanden gedurende het experiment niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling;
d. een mogelijke combinatie van bovenstaande voorzieningen in één groep, waarbij de voorziening genoemd in onderdeel a niet gecombineerd wordt met de voorziening genoemd in onderdeel b.
2. Indien in een experiment gebruik wordt gemaakt van de voorziening genoemd in het eerste lid, onderdeel a, bevat het experiment ook ten minste de voorziening genoemd in het eerste lid, onderdeel b.
a. de voorziening voor een ontheffingsgroep in een tijdelijke ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, gedurende de experimenteerperiode. Indien naar het oordeel van het college bij een tussentijdse evaluatie, na 6 maanden tijdens het eerste contactmoment blijkt dat er onvoldoende inspanningen zijn getroffen gericht op arbeidsinschakeling, volgt een aanzegging en bij geen verbetering na opnieuw 6 maanden beëindigt het college de tijdelijke ontheffing;
b. de voorziening voor een intensiveringsgroep in een tijdelijke intensivering van de arbeids- en re-integratieverplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, gedurende de experimenteerperiode, wat betekent ten minste een verdubbeling van het aantal fysieke contactmomenten en verplichtingen;
c. de voorziening voor een vrijlatinggroep voor wie inkomsten uit arbeid tot maximaal 50 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 199,00 per maand voor alleenstaanden en een maximum van € 199,00 gezamenlijk per maand voor gehuwden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten voor een periode van maximaal 2 jaar en 3 maanden gedurende het experiment niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling;
d. een mogelijke combinatie van bovenstaande voorzieningen in één groep, waarbij de voorziening genoemd in onderdeel a niet gecombineerd wordt met de voorziening genoemd in onderdeel b.
2. Indien in een experiment gebruik wordt gemaakt van de voorziening genoemd in het eerste lid, onderdeel a, bevat het experiment ook ten minste de voorziening genoemd in het eerste lid, onderdeel b.