BWBR0038549
Geldig vanaf 2016-09-30
Artikel 5.2
Mandaatbesluit BZK 2016
1. Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de directeur in ieder geval betrekking op:
a. het uitoefenen van integraal management met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;
b. het leiding geven aan de rechtstreeks onder de directeur ressorterende functionarissen;
c. het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in het overleg met de ondernemingsraad van het desbetreffende dienstonderdeel, voor zover het diensthoofd niet als zodanig optreedt;
d. het vertegenwoordigen van de Minister namens de Staat in gerechtelijke procedures waarbij het organisatieonderdeel is betrokken;
e. het afnemen van de eed of de belofte van ambtenaren bij het dienstonderdeel waarover de directeur de leiding voert voor zover het een agentschap betreft;
f. het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein met inbegrip van de personele bezwaren, anders dan bedoeld in artikel 5.4, onder a, en met uitzondering van die besluiten die door de Minister, de secretaris-generaal, het diensthoofd of de directeur zijn genomen, voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald.
2. Het eerste lid, onder a, c en e, zijn niet van toepassing op de directeuren van BZK Kerndepartement.
a. het uitoefenen van integraal management met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;
b. het leiding geven aan de rechtstreeks onder de directeur ressorterende functionarissen;
c. het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in het overleg met de ondernemingsraad van het desbetreffende dienstonderdeel, voor zover het diensthoofd niet als zodanig optreedt;
d. het vertegenwoordigen van de Minister namens de Staat in gerechtelijke procedures waarbij het organisatieonderdeel is betrokken;
e. het afnemen van de eed of de belofte van ambtenaren bij het dienstonderdeel waarover de directeur de leiding voert voor zover het een agentschap betreft;
f. het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein met inbegrip van de personele bezwaren, anders dan bedoeld in artikel 5.4, onder a, en met uitzondering van die besluiten die door de Minister, de secretaris-generaal, het diensthoofd of de directeur zijn genomen, voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald.
2. Het eerste lid, onder a, c en e, zijn niet van toepassing op de directeuren van BZK Kerndepartement.