BWBR0038484
Geldig vanaf 2021-12-07
Artikel 8
Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo
1. Het vaste bedrag wordt verdeeld over de scholen conform de in artikel 9genoemde berekeningswijze.
2. Het prestatienormbedrag wordt verdeeld over de scholen conform de in artikel 10genoemde berekeningswijze.
3. Het bedrag voor behoud of verbetering wordt verdeeld over de scholen conform de in artikel 11genoemde berekeningswijze.
4. Bij de berekening van het vaste bedrag, bedoeld in artikel 9, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:
a. voor het kalenderjaar 2017: op 1 oktober 2015;
b. voor het kalenderjaar 2018: op 1 oktober 2016;
c. voor het kalenderjaar 2019: op 1oktober 2017;
d. voor het kalenderjaar 2020: op 1 oktober 2018;
e. voor het kalenderjaar 2021: op 1oktober 2019;
f. voor het kalenderjaar 2022: op 1 oktober 2020.
5. Bij de berekening van het variabele bedrag, bedoeld in de artikelen 10en 11, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks per schoolsoort en leerjaren bepaald op grond van de volgende peilmomenten:
a. voor het kalenderjaar 2017: op 1 oktober 2016.
b. voor het kalenderjaar 2018: op 1 oktober 2017;
c. voor het kalenderjaar 2019: op 1 oktober 2018;
d. voor het kalenderjaar 2020: op 1 oktober 2019;
e. voor het kalenderjaar 2021: op 1 oktober 2020;
f. voor het kalenderjaar 2022: op 1 oktober 2021.
6. In het geval er sprake is van splitsing of samenvoeging tussen de peilmomenten en het moment waarop verstrekking van de aanvullende bekostiging voor het betreffende kalenderjaar plaatsvindt, zal voor de berekening van de aanvullende bekostiging worden uitgegaan van de situatie alsof de splitsing of samenvoeging op het eerste peilmoment reeds tot stand was gekomen.
2. Het prestatienormbedrag wordt verdeeld over de scholen conform de in artikel 10genoemde berekeningswijze.
3. Het bedrag voor behoud of verbetering wordt verdeeld over de scholen conform de in artikel 11genoemde berekeningswijze.
4. Bij de berekening van het vaste bedrag, bedoeld in artikel 9, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:
a. voor het kalenderjaar 2017: op 1 oktober 2015;
b. voor het kalenderjaar 2018: op 1 oktober 2016;
c. voor het kalenderjaar 2019: op 1oktober 2017;
d. voor het kalenderjaar 2020: op 1 oktober 2018;
e. voor het kalenderjaar 2021: op 1oktober 2019;
f. voor het kalenderjaar 2022: op 1 oktober 2020.
5. Bij de berekening van het variabele bedrag, bedoeld in de artikelen 10en 11, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks per schoolsoort en leerjaren bepaald op grond van de volgende peilmomenten:
a. voor het kalenderjaar 2017: op 1 oktober 2016.
b. voor het kalenderjaar 2018: op 1 oktober 2017;
c. voor het kalenderjaar 2019: op 1 oktober 2018;
d. voor het kalenderjaar 2020: op 1 oktober 2019;
e. voor het kalenderjaar 2021: op 1 oktober 2020;
f. voor het kalenderjaar 2022: op 1 oktober 2021.
6. In het geval er sprake is van splitsing of samenvoeging tussen de peilmomenten en het moment waarop verstrekking van de aanvullende bekostiging voor het betreffende kalenderjaar plaatsvindt, zal voor de berekening van de aanvullende bekostiging worden uitgegaan van de situatie alsof de splitsing of samenvoeging op het eerste peilmoment reeds tot stand was gekomen.