BWBR0038475
Geldig vanaf 2016-09-06
Artikel 2
Besluit opleiding en stage gerechtsdeurwaardersambt
1. Onze Minister erkent een opleiding als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wetslechts indien voor deze opleiding een accreditatie, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of een toets nieuwe opleiding, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel r, van die wet, is verleend.
2. De opleiding voorziet in ieder geval in gedegen overdracht van kennis en vaardigheden ten aanzien van:
a. het bepaalde bij en krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet;
b. het burgerlijk recht en in het bijzonder het recht betreffende rechtspersonen, goederenrecht en verbintenissenrecht;
c. het burgerlijk procesrecht;
d. het executie- en beslagrecht;
e. de beroepsethiek;
f. het Nederlandse staats- en bestuursrecht, en
g. de Nederlandse taal.
3. De opleiding verzorgt in voldoende mate, maar ten minste voor een duur die overeenstemt met artikel 25, tweede lid, van de wet, een praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.
2. De opleiding voorziet in ieder geval in gedegen overdracht van kennis en vaardigheden ten aanzien van:
a. het bepaalde bij en krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet;
b. het burgerlijk recht en in het bijzonder het recht betreffende rechtspersonen, goederenrecht en verbintenissenrecht;
c. het burgerlijk procesrecht;
d. het executie- en beslagrecht;
e. de beroepsethiek;
f. het Nederlandse staats- en bestuursrecht, en
g. de Nederlandse taal.
3. De opleiding verzorgt in voldoende mate, maar ten minste voor een duur die overeenstemt met artikel 25, tweede lid, van de wet, een praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.