BWBR0038430
Geldig vanaf 25-08-2016
Artikel 5
Regeling bijzondere uitkering kinderrechten BES
1. De minister besluit binnen drie maanden op een aanvraag, maar op een aanvraag die voor 1 november 2017 is ingediend, op uiterlijk 31 december 2017.
2. De minister besluit uitsluitend tot verlening van een bijzondere uitkering kinderrechten, indien:
a. het project voldoet aan het doel, bedoeld in artikel 2;
b. het naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat het project uiterlijk 31 december 2019 kan worden uitgevoerd;
c. het project doelmatig en doeltreffend is;
d. het project redelijkerwijs uitvoerbaar is gezien de middelen en de kosten die in het projectplan, bedoeld in artikel 4, tweede lid, zijn begroot, en
e. het in artikel 3, eerste lid, genoemde beschikbare bedrag niet wordt overschreden als gevolg van het verlenen van de bijzondere uitkering kinderrechten.
2. De minister besluit uitsluitend tot verlening van een bijzondere uitkering kinderrechten, indien:
a. het project voldoet aan het doel, bedoeld in artikel 2;
b. het naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat het project uiterlijk 31 december 2019 kan worden uitgevoerd;
c. het project doelmatig en doeltreffend is;
d. het project redelijkerwijs uitvoerbaar is gezien de middelen en de kosten die in het projectplan, bedoeld in artikel 4, tweede lid, zijn begroot, en
e. het in artikel 3, eerste lid, genoemde beschikbare bedrag niet wordt overschreden als gevolg van het verlenen van de bijzondere uitkering kinderrechten.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0038430
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl