BWBR0038355
Geldig vanaf 2016-07-23
Artikel 7
Beleidsregel onregelmatigheden centraal examen in voortgezet onderwijs en van staatsexamen
1. Onder het niet op regelmatige wijze plaatsvinden van het centraal examen van het staatsexamen wordt in ieder geval verstaan:
a. het tijdens het centraal examen van het staatsexamen onrechtmatig gebruiken van, dan wel beschikken over, op grond van het Staatsexamenbesluit VO of examenreglement niet toegestane hulpmiddelen of informatie die van invloed kunnen zijn op de prestaties van een of meer kandidaten;
b. het tijdens of voorafgaand aan het centraal examen van het staatsexamen onrechtmatig ter beschikking van een of meer kandidaten komen van niet in het Staatsexamenbesluit VO of in het examenreglement voorziene informatie of hulpmiddelen dienstbaar aan het beantwoorden van de examenvragen of, geheel of ten dele, de antwoorden op die vragen zelf;
c. het tijdens het centraal examen van het staatsexamen niet of ontoereikend uitoefenen van toezicht, althans niet het nodige toezicht uitoefenen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van het Staatsexamenbesluit VO met als gevolg dat dat de onder a of b bedoelde informatie of hulpmiddelen ter beschikking van een of meer kandidaten kan of kunnen komen;
d. het tijdens het centraal examen van het staatsexamen in strijd met artikel 33 van het Staatsexamenbesluit VO of het examenreglement ter beschikking stellen van meer examentijd;
e. het na afloop van het centraal examen van het staatsexamen zonder rechtsgrond aanbrengen van wijzigingen door een derde in het door de kandidaat aangeleverde examenwerk;
f. het in strijd met hoofdstuk IV van het Staatsexamenbesluit VO toekennen van een cijfer of vaststellen van een examenuitslag.
2. Indien er geen sprake is van een onregelmatigheid, bedoeld in het eerste lid, beslist de directeur Toezicht VO van de inspectie of het centraal examen van het staatsexamen op niet regelmatige wijze heeft plaatsgevonden.
a. het tijdens het centraal examen van het staatsexamen onrechtmatig gebruiken van, dan wel beschikken over, op grond van het Staatsexamenbesluit VO of examenreglement niet toegestane hulpmiddelen of informatie die van invloed kunnen zijn op de prestaties van een of meer kandidaten;
b. het tijdens of voorafgaand aan het centraal examen van het staatsexamen onrechtmatig ter beschikking van een of meer kandidaten komen van niet in het Staatsexamenbesluit VO of in het examenreglement voorziene informatie of hulpmiddelen dienstbaar aan het beantwoorden van de examenvragen of, geheel of ten dele, de antwoorden op die vragen zelf;
c. het tijdens het centraal examen van het staatsexamen niet of ontoereikend uitoefenen van toezicht, althans niet het nodige toezicht uitoefenen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van het Staatsexamenbesluit VO met als gevolg dat dat de onder a of b bedoelde informatie of hulpmiddelen ter beschikking van een of meer kandidaten kan of kunnen komen;
d. het tijdens het centraal examen van het staatsexamen in strijd met artikel 33 van het Staatsexamenbesluit VO of het examenreglement ter beschikking stellen van meer examentijd;
e. het na afloop van het centraal examen van het staatsexamen zonder rechtsgrond aanbrengen van wijzigingen door een derde in het door de kandidaat aangeleverde examenwerk;
f. het in strijd met hoofdstuk IV van het Staatsexamenbesluit VO toekennen van een cijfer of vaststellen van een examenuitslag.
2. Indien er geen sprake is van een onregelmatigheid, bedoeld in het eerste lid, beslist de directeur Toezicht VO van de inspectie of het centraal examen van het staatsexamen op niet regelmatige wijze heeft plaatsgevonden.