BWBR0038355
Geldig vanaf 2016-07-23
Artikel 4
Beleidsregel onregelmatigheden centraal examen in voortgezet onderwijs en van staatsexamen
1. Indien de inspectie naar aanleiding van het signaal, bedoeld in artikel 3, oordeelt dat er sprake is van een onregelmatigheid beslist de inspectie of het centraal examen geheel of gedeeltelijk voor een of meer kandidaten opnieuw moet worden afgenomen en verklaart zij daartoe het gemaakte examenwerk geheel of gedeeltelijk ongeldig.
2. De inspectie verklaart in ieder geval het gemaakte examenwerk ongeldig indien naar haar oordeel:
a. bij het centraal examen hulpmiddelen of informatie zijn gebruikt waarvan het gebruik niet is toegestaan en waardoor de uitslag kan zijn beïnvloed;
b. aan de kandidaat examenopgaven van de verkeerde schoolsoort zijn voorgelegd;
c. de correctie, bedoeld in het derde lid, niet mogelijk blijkt.
3. Indien de inspectie tot het oordeel komt dat een personeelslid van een school verantwoordelijk kan worden gehouden voor de onregelmatigheid, bedoeld in artikel 1, handelt de inspectie voor zover mogelijk als volgt:
a. indien de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden op of in het gemaakte examenwerk van een kandidaat geeft de inspectie opdracht aan de gecommitteerde om het origineel van het gemaakte examenwerk te corrigeren zonder acht te slaan op de onregelmatigheid,
b. de inspectie beoordeelt een kopie van de door de gecommitteerde ingevulde en toegezonden verklaring op juistheid, bedoeld in artikel 36, vierde lid, van het besluit, waarop de resultaten van het gecorrigeerde examenwerk zijn vermeld,
c. indien de inspectie van oordeel is dat de ingevulde verklaring juist is, wordt deze verklaring vervolgens door de gecommitteerde aan de school gestuurd waar het centraal examen is gemaakt, en,
d. de inspectie besluit in het geval, bedoeld onder c, dat het centraal examen niet opnieuw hoeft worden afgenomen voor deze kandidaat.
2. De inspectie verklaart in ieder geval het gemaakte examenwerk ongeldig indien naar haar oordeel:
a. bij het centraal examen hulpmiddelen of informatie zijn gebruikt waarvan het gebruik niet is toegestaan en waardoor de uitslag kan zijn beïnvloed;
b. aan de kandidaat examenopgaven van de verkeerde schoolsoort zijn voorgelegd;
c. de correctie, bedoeld in het derde lid, niet mogelijk blijkt.
3. Indien de inspectie tot het oordeel komt dat een personeelslid van een school verantwoordelijk kan worden gehouden voor de onregelmatigheid, bedoeld in artikel 1, handelt de inspectie voor zover mogelijk als volgt:
a. indien de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden op of in het gemaakte examenwerk van een kandidaat geeft de inspectie opdracht aan de gecommitteerde om het origineel van het gemaakte examenwerk te corrigeren zonder acht te slaan op de onregelmatigheid,
b. de inspectie beoordeelt een kopie van de door de gecommitteerde ingevulde en toegezonden verklaring op juistheid, bedoeld in artikel 36, vierde lid, van het besluit, waarop de resultaten van het gecorrigeerde examenwerk zijn vermeld,
c. indien de inspectie van oordeel is dat de ingevulde verklaring juist is, wordt deze verklaring vervolgens door de gecommitteerde aan de school gestuurd waar het centraal examen is gemaakt, en,
d. de inspectie besluit in het geval, bedoeld onder c, dat het centraal examen niet opnieuw hoeft worden afgenomen voor deze kandidaat.