BWBR0038330
Geldig vanaf 2016-09-01
Artikel 46
Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2016
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit, geproduceerd door een bestaande productie-installatie waarvoor op grond van de MEP-subsidie van meer dan € 0,– is ontvangen voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 50 MW en voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 6% bedraagt, en waarvoor op het moment van de start van de subsidieperiode van de subsidie, de resterende subsidieperiode op grond van de MEP:
a. minder dan 1 volledig jaar bedraagt of nihil is, of
b. tenminste 1 volledig jaar bedraagt.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
4. Indien de aanvrager in aanvulling op de subsidie op grond van de MEP of OV-MEP, subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 116, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014, of artikel 44, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015, eindigt de subsidieperiode van deze subsidie in ieder geval op het moment dat de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van het eerste lid aanvangt.
a. minder dan 1 volledig jaar bedraagt of nihil is, of
b. tenminste 1 volledig jaar bedraagt.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
4. Indien de aanvrager in aanvulling op de subsidie op grond van de MEP of OV-MEP, subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 116, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014, of artikel 44, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015, eindigt de subsidieperiode van deze subsidie in ieder geval op het moment dat de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van het eerste lid aanvangt.