BWBR0038133
Geldig vanaf 2016-07-01
Artikel 7
Regeling personeelsgesprek sector Rijk
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2016 voor de sector Rijk, met uitzondering van de ambtelijke diensten van:
a. het Ministerie van Algemene Zaken;
b. het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
c. het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
d. het Ministerie van Economische Zaken;
e. het Ministerie van Financiën;
f. het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
g. het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
h. het Ministerie van Veiligheid en Justitie;
i. het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
j. de Raad van State;
k. de Algemene Rekenkamer;
l. de Nationale ombudsman;
m. de Hoge Raad van Adel;
n. het Kabinet van de Koning;
o. de Kanselarij der Nederlandse Orden;
p. het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
q. de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden.
2. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling met ingang van 1 januari 2017 in werking voor de ambtelijke diensten van:
a. het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
b. het Ministerie van Economische Zaken;
c. het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
d. het Ministerie van Veiligheid en Justitie;
e. het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
3. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling met ingang van 1 april 2017 in werking voor de ambtelijke dienst van het Ministerie van Financiën, met uitzondering van de Belastingdienst.
4. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling met ingang van 1 juli 2017 in werking voor de ambtelijke dienst van het Ministerie van Algemene Zaken.
5. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling met ingang van 1 januari 2018 in werking voor de ambtelijke diensten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Financiën voor zover deze regeling daarop op grond van het derde lid nog niet van toepassing is en van de Hoge Raad van de Adel.
6. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling met ingang van 1 januari 2019 in werking voor de ambtelijke diensten van de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, het Kabinet van de Koning, de Kanselarij der Nederlandse Orden, het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de Rechtspraak en van de besturen van de voornoemde gerechten daaronder en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden.
a. het Ministerie van Algemene Zaken;
b. het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
c. het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
d. het Ministerie van Economische Zaken;
e. het Ministerie van Financiën;
f. het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
g. het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
h. het Ministerie van Veiligheid en Justitie;
i. het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
j. de Raad van State;
k. de Algemene Rekenkamer;
l. de Nationale ombudsman;
m. de Hoge Raad van Adel;
n. het Kabinet van de Koning;
o. de Kanselarij der Nederlandse Orden;
p. het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
q. de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden.
2. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling met ingang van 1 januari 2017 in werking voor de ambtelijke diensten van:
a. het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
b. het Ministerie van Economische Zaken;
c. het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
d. het Ministerie van Veiligheid en Justitie;
e. het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
3. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling met ingang van 1 april 2017 in werking voor de ambtelijke dienst van het Ministerie van Financiën, met uitzondering van de Belastingdienst.
4. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling met ingang van 1 juli 2017 in werking voor de ambtelijke dienst van het Ministerie van Algemene Zaken.
5. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling met ingang van 1 januari 2018 in werking voor de ambtelijke diensten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Financiën voor zover deze regeling daarop op grond van het derde lid nog niet van toepassing is en van de Hoge Raad van de Adel.
6. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling met ingang van 1 januari 2019 in werking voor de ambtelijke diensten van de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, het Kabinet van de Koning, de Kanselarij der Nederlandse Orden, het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de Rechtspraak en van de besturen van de voornoemde gerechten daaronder en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden.