BWBR0038125
Geldig vanaf 2016-06-30
Artikel 9
Beleidsregel aanwijzing rijksmonumenten en wijziging rijksmonumentenregister Erfgoedwet
De Minister kan een monument dat is vervaardigd voor 1966 ambtshalve aanwijzen, indien het monument naar verwachting niet in aanmerking komt voor bescherming in het kader van een aanwijzingsprogramma of verbeterprogramma en het monument:
a. van evident algemeen belang is op grond van de waarderingscriteria,
b. op nationaal of internationaal niveau een mijlpaal is voor de architectuurgeschiedenis of kunstgeschiedenis, of een essentieel toonbeeld is van een belangrijke cultuurhistorische ontwikkeling,
c. indien het monument vervaardigd is na 1939, vergelijkbare monumentale waarde heeft als de monumenten die behoren tot de ongeveer 100 meest waardevolle monumenten die zijn gebouwd in de periode vanaf 1940 tot en met 1958, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van de Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2007 of de meest waardevolle monumenten uit de periode vanaf 1959 tot en met 1965, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2013, en
d. naar het oordeel van de Minister een essentiële aanvulling op het rijksmonumentenbestand vormt en daarvoor van onmiskenbare meerwaarde is.
a. van evident algemeen belang is op grond van de waarderingscriteria,
b. op nationaal of internationaal niveau een mijlpaal is voor de architectuurgeschiedenis of kunstgeschiedenis, of een essentieel toonbeeld is van een belangrijke cultuurhistorische ontwikkeling,
c. indien het monument vervaardigd is na 1939, vergelijkbare monumentale waarde heeft als de monumenten die behoren tot de ongeveer 100 meest waardevolle monumenten die zijn gebouwd in de periode vanaf 1940 tot en met 1958, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van de Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2007 of de meest waardevolle monumenten uit de periode vanaf 1959 tot en met 1965, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2013, en
d. naar het oordeel van de Minister een essentiële aanvulling op het rijksmonumentenbestand vormt en daarvoor van onmiskenbare meerwaarde is.