BWBR0037866
Geldig vanaf 2016-07-01
Artikel 3.1
Besluit Erfgoedwet archeologie
1. Onze Minister wijst de richtlijn, bedoeld in artikel 5.5, onderdeel b, van de wet, aan.
2. De richtlijn komt voor aanwijzing in aanmerking indien deze in elk geval voorschriften over de volgende onderwerpen bevat, zodat een opgraving op professionele wijze wordt verricht:
a. de verschillende handelingen die worden verricht bij het opgraven door zelfstandig aan te duiden actoren, in samenhang met een daartoe geschikt kwaliteitszorgsysteem;
b. het documenteren van de opgraving op zorgvuldige en navolgbare wijze;
c. het rapporteren over vondsten met het oog op de vergaring en het behoud van kennis over het Nederlandse bodemarchief;
d. de wijze van conserveren zodat de vondst behouden blijft; en
e. de wijze waarop wordt omgegaan met tekortkomingen.
3. Certificerende instellingen verstrekken certificaten met inachtneming van de richtlijn.
4. Een certificaathouder of instelling als bedoeld in artikel 2.1verricht een opgraving overeenkomstig de richtlijn.
2. De richtlijn komt voor aanwijzing in aanmerking indien deze in elk geval voorschriften over de volgende onderwerpen bevat, zodat een opgraving op professionele wijze wordt verricht:
a. de verschillende handelingen die worden verricht bij het opgraven door zelfstandig aan te duiden actoren, in samenhang met een daartoe geschikt kwaliteitszorgsysteem;
b. het documenteren van de opgraving op zorgvuldige en navolgbare wijze;
c. het rapporteren over vondsten met het oog op de vergaring en het behoud van kennis over het Nederlandse bodemarchief;
d. de wijze van conserveren zodat de vondst behouden blijft; en
e. de wijze waarop wordt omgegaan met tekortkomingen.
3. Certificerende instellingen verstrekken certificaten met inachtneming van de richtlijn.
4. Een certificaathouder of instelling als bedoeld in artikel 2.1verricht een opgraving overeenkomstig de richtlijn.