BWBR0037543
Geldig vanaf 01-07-2016
Artikel 9
Boetebeleidsregels Autoriteit Persoonsgegevens 2016
9.1 De Autoriteit Persoonsgegevens merkt als boeteverhogende omstandigheden aan: a. de omstandigheid dat de Autoriteit Persoonsgegevens voorafgaand aan de dagtekening van het van de overtreding opgemaakte rapport, bedoeld in artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor een eerdere overtreding van eenzelfde of een soortgelijke door die overtreder begane overtreding een bestuurlijke boete heeft opgelegd die onherroepelijk is geworden. In geval van recidive als bedoeld in de vorige zin verhoogt de Autoriteit Persoonsgegevens behoudens het bepaalde in artikel 15.4, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet de boete met 50%, tenzij dit gezien de omstandigheden van het concrete geval onredelijk zou zijn.
b. de omstandigheid dat de overtreder het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens heeft tegengewerkt of belemmerd.
a. de omstandigheid dat de Autoriteit Persoonsgegevens voorafgaand aan de dagtekening van het van de overtreding opgemaakte rapport, bedoeld in artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor een eerdere overtreding van eenzelfde of een soortgelijke door die overtreder begane overtreding een bestuurlijke boete heeft opgelegd die onherroepelijk is geworden. In geval van recidive als bedoeld in de vorige zin verhoogt de Autoriteit Persoonsgegevens behoudens het bepaalde in artikel 15.4, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet de boete met 50%, tenzij dit gezien de omstandigheden van het concrete geval onredelijk zou zijn.
b. de omstandigheid dat de overtreder het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens heeft tegengewerkt of belemmerd.
9.2 Niet-nakoming van een bindende aanwijzing, bedoeld in artikel 66, vijfde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, wordt niet aangemerkt als eenzelfde of soortgelijke overtreding als de overtreding van het in artikel 66, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens genoemde voorschrift waarvoor de Autoriteit Persoonsgegevens de bindende aanwijzing heeft gegeven.
b. de omstandigheid dat de overtreder het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens heeft tegengewerkt of belemmerd.
a. de omstandigheid dat de Autoriteit Persoonsgegevens voorafgaand aan de dagtekening van het van de overtreding opgemaakte rapport, bedoeld in artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor een eerdere overtreding van eenzelfde of een soortgelijke door die overtreder begane overtreding een bestuurlijke boete heeft opgelegd die onherroepelijk is geworden. In geval van recidive als bedoeld in de vorige zin verhoogt de Autoriteit Persoonsgegevens behoudens het bepaalde in artikel 15.4, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet de boete met 50%, tenzij dit gezien de omstandigheden van het concrete geval onredelijk zou zijn.
b. de omstandigheid dat de overtreder het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens heeft tegengewerkt of belemmerd.
9.2 Niet-nakoming van een bindende aanwijzing, bedoeld in artikel 66, vijfde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, wordt niet aangemerkt als eenzelfde of soortgelijke overtreding als de overtreding van het in artikel 66, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens genoemde voorschrift waarvoor de Autoriteit Persoonsgegevens de bindende aanwijzing heeft gegeven.
- Citeren als
- Art. 9
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0037543
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl