BWBR0037469
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 5
Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften Common Reporting Standard
1. Een rapporterende financiële instelling verkrijgt, met inachtneming van bijlage I, deel IV, onderdeel A, van Richtlijn 2011/16/EU, bij het openen van een nieuwe rekening door een natuurlijk persoon een eigen verklaring van de rekeninghouder.
2. Indien uit de eigen verklaring, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de rekeninghouder een te rapporteren persoon is, wordt de rekening aangemerkt als een te rapporteren rekening.
3. Een rapporterende financiële instelling die op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van de rekeninghouder onjuist of onbetrouwbaar is, verkrijgt een actuele eigen verklaring van de rekeninghouder voor het vaststellen van diens fiscale woonstaat dan wel een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken die de juistheid van de laatst verkregen eigen verklaring bevestigen.
4. Een rapporterende financiële instelling mag nadat zij op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van de rekeninghouder onjuist of onbetrouwbaar is, nog gedurende 90 dagen, doch uiterlijk tot de dag waarop een actuele eigen verklaring wordt verkregen, uitgaan van de fiscale woonstaat van de rekeninghouder zoals die is vermeld op de laatst verkregen eigen verklaring. Indien een rapporterende financiële instelling binnen de termijn van 90 dagen, bedoeld in de eerste volzin, geen actuele eigen verklaring of een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken als bedoeld in het derde lid heeft verkregen, merkt de rapporterende financiële instelling de rekeninghouder tot het moment waarop alsnog een dergelijke eigen verklaring of redelijke uitleg wordt verkregen aan als fiscaal inwoner van het rechtsgebied dat is vermeld op de laatst verkregen eigen verklaring, bedoeld in het derde lid, alsmede van het rechtsgebied waarin de rekeninghouder als gevolg van de wijziging van omstandigheden fiscaal woonachtig zou kunnen zijn.
5. Indien een rapporterende financiële instelling met betrekking tot een nieuwe rekening als gevolg van bijzondere omstandigheden niet tijdig een eigen verklaring kan verkrijgen om voor de rapportageperiode waarin die rekening is geopend aan haar verplichtingen op grond van het eerste tot en met vierde lid en de artikelen 10b tot en met 10f van de wette voldoen, volgt zij met betrekking tot die rekening de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, deel III, van Richtlijn 2011/16/EUtotdat zij die eigen verklaring heeft verkregen en de juistheid daarvan heeft bevestigd.
2. Indien uit de eigen verklaring, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de rekeninghouder een te rapporteren persoon is, wordt de rekening aangemerkt als een te rapporteren rekening.
3. Een rapporterende financiële instelling die op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van de rekeninghouder onjuist of onbetrouwbaar is, verkrijgt een actuele eigen verklaring van de rekeninghouder voor het vaststellen van diens fiscale woonstaat dan wel een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken die de juistheid van de laatst verkregen eigen verklaring bevestigen.
4. Een rapporterende financiële instelling mag nadat zij op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van de rekeninghouder onjuist of onbetrouwbaar is, nog gedurende 90 dagen, doch uiterlijk tot de dag waarop een actuele eigen verklaring wordt verkregen, uitgaan van de fiscale woonstaat van de rekeninghouder zoals die is vermeld op de laatst verkregen eigen verklaring. Indien een rapporterende financiële instelling binnen de termijn van 90 dagen, bedoeld in de eerste volzin, geen actuele eigen verklaring of een redelijke uitleg en, waar nodig, aanvullende bewijsstukken als bedoeld in het derde lid heeft verkregen, merkt de rapporterende financiële instelling de rekeninghouder tot het moment waarop alsnog een dergelijke eigen verklaring of redelijke uitleg wordt verkregen aan als fiscaal inwoner van het rechtsgebied dat is vermeld op de laatst verkregen eigen verklaring, bedoeld in het derde lid, alsmede van het rechtsgebied waarin de rekeninghouder als gevolg van de wijziging van omstandigheden fiscaal woonachtig zou kunnen zijn.
5. Indien een rapporterende financiële instelling met betrekking tot een nieuwe rekening als gevolg van bijzondere omstandigheden niet tijdig een eigen verklaring kan verkrijgen om voor de rapportageperiode waarin die rekening is geopend aan haar verplichtingen op grond van het eerste tot en met vierde lid en de artikelen 10b tot en met 10f van de wette voldoen, volgt zij met betrekking tot die rekening de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, deel III, van Richtlijn 2011/16/EUtotdat zij die eigen verklaring heeft verkregen en de juistheid daarvan heeft bevestigd.