BWBR0037173
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 24a
Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg
1. De leden van het Subcomité ter Preventie als bedoeld in het op 18 december 2002 te New York stand gekomen Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Trb. 2005, 243) en de leden van het Comité als bedoeld in het op 26 november 1987 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Verdrag ter voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (Trb. 1988, nr. 19), zoals gewijzigd door Protocol 1 en Protocol 2 (Trb. 1994, 106 en 107), zijn bevoegd tot inzage in de dossiers van cliënten:
a. van wie de vrijheid is ontnomen op basis van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Militair Strafrecht of het Wetboek van Strafvordering;
b. van wie de vrijheid is ontnomen op basis van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften;
c. van wie de vrijheid is ontnomen op basis van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
d. van wie de vrijheid is ontnomen op basis van de Vreemdelingenwet 2000;
e. aan wie verplichte zorg wordt verleend als bedoeld in artikel 3:2, tweede lid, aanhef en onder c, j of k, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;
f. die op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 2, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten onvrijwillig zijn opgenomen of verblijven in een op grond van artikel 20 van die wet geregistreerde accommodatie; of
g. van wie op een andere grond krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking of door het openbaar gezag rechtens de vrijheid is ontnomen.
2. De leden zijn bevoegd, elke plaats, waaronder een woning, binnen te treden, ook zonder toestemming van de bewoner, voor zover deze plaats of woning deel uitmaakt van een bouwkundige voorziening voor het verlenen van zorg aan de cliënten, bedoeld in het eerste lid.
3. De leden maken van deze bevoegdheden slechts gebruik voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor hun uit het desbetreffende verdrag voortvloeiende taak. Een ieder is verplicht aan de leden, alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening van hun bevoegdheden.
a. van wie de vrijheid is ontnomen op basis van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Militair Strafrecht of het Wetboek van Strafvordering;
b. van wie de vrijheid is ontnomen op basis van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften;
c. van wie de vrijheid is ontnomen op basis van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
d. van wie de vrijheid is ontnomen op basis van de Vreemdelingenwet 2000;
e. aan wie verplichte zorg wordt verleend als bedoeld in artikel 3:2, tweede lid, aanhef en onder c, j of k, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;
f. die op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 2, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten onvrijwillig zijn opgenomen of verblijven in een op grond van artikel 20 van die wet geregistreerde accommodatie; of
g. van wie op een andere grond krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking of door het openbaar gezag rechtens de vrijheid is ontnomen.
2. De leden zijn bevoegd, elke plaats, waaronder een woning, binnen te treden, ook zonder toestemming van de bewoner, voor zover deze plaats of woning deel uitmaakt van een bouwkundige voorziening voor het verlenen van zorg aan de cliënten, bedoeld in het eerste lid.
3. De leden maken van deze bevoegdheden slechts gebruik voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor hun uit het desbetreffende verdrag voortvloeiende taak. Een ieder is verplicht aan de leden, alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening van hun bevoegdheden.