BWBR0037173
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 24
Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg
1. De ambtenaren van de inspectie zijn belast met het toezicht op de naleving van hetgeen bij of krachtens de artikelen 2, 2a, eerste en tweede lid, 3 tot en met 11en 13 tot en met 23, dan wel in een aanwijzing of bevel als bedoeld in artikel 27of artikel 28is bepaald. Zij rapporteren daaromtrent aan Onze Minister.
2. Het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2en 3, eerste lid, is mede gericht op het bevorderen van het gebruik van standaarden door zorgaanbieders en zorgverleners.
3. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, voor zover de woning deel uitmaakt van een bouwkundige voorziening voor het verlenen van zorg.
4. De aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5:16</a>en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:17 van de Algemene wet bestuursrecht</a>, hebben mede betrekking op dossiers.
5. Voor zover de betrokken zorgverlener uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier verplicht is, kan de zorgverlener deze verplichting, in afwijking van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>, niet inroepen tegenover de in het eerste lid bedoelde ambtenaren. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken zorgverlener.
6. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd het niet naleven door een zorgaanbieder van een verplichting die voor hem uit het bepaalde bij of krachtens deze wet voortvloeit, buiten behandeling te laten, tenzij sprake is van een situatie die voor de veiligheid van cliënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen, of het belang van goede zorg anderszins daaraan redelijkerwijs in de weg staat.
7. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren volgen de eenduidige uitleg van het Zorginstituut, bedoeld in artikel 2a, derde lid.
2. Het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2en 3, eerste lid, is mede gericht op het bevorderen van het gebruik van standaarden door zorgaanbieders en zorgverleners.
3. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, voor zover de woning deel uitmaakt van een bouwkundige voorziening voor het verlenen van zorg.
4. De aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5:16</a>en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:17 van de Algemene wet bestuursrecht</a>, hebben mede betrekking op dossiers.
5. Voor zover de betrokken zorgverlener uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier verplicht is, kan de zorgverlener deze verplichting, in afwijking van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>, niet inroepen tegenover de in het eerste lid bedoelde ambtenaren. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken zorgverlener.
6. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd het niet naleven door een zorgaanbieder van een verplichting die voor hem uit het bepaalde bij of krachtens deze wet voortvloeit, buiten behandeling te laten, tenzij sprake is van een situatie die voor de veiligheid van cliënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen, of het belang van goede zorg anderszins daaraan redelijkerwijs in de weg staat.
7. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren volgen de eenduidige uitleg van het Zorginstituut, bedoeld in artikel 2a, derde lid.