BWBR0036481
Geldig vanaf 01-04-2015
Artikel 11
Besluit grote inrichtingen milieubeheer BES
1. Onze Minister houdt bij het bepalen van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met:
a. de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken;
b. de toepassing van technieken waarbij gebruik wordt gemaakt van de minst gevaarlijke stoffen;
c. de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en afvalstoffen;
d. vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;
e. de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;
f. de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;
g. de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;
h. de tijd die nodig is om een betere techniek te gaan toepassen;
i. het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;
j. de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;
k. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken;
l. door internationale of volkenrechtelijke organisaties bekendgemaakte informatie met betrekking tot de bepaling van beste beschikbare technieken, en
m. andere informatie met betrekking tot het bepalen van de beste beschikbare technieken.
2. Onze Minister bepaalt de beste beschikbare technieken mede op grond van de aard en het type van de inrichting en de staat van de daarin aanwezige installaties en processen, de geldende afspraken over de ontwikkeling van de technieken, de omgeving en de lokale milieuomstandigheden van de betreffende inrichting.
3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over het bepalen van de beste beschikbare technieken en omtrent de wijze waarop aan dit artikel uitvoering wordt gegeven.
a. de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken;
b. de toepassing van technieken waarbij gebruik wordt gemaakt van de minst gevaarlijke stoffen;
c. de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en afvalstoffen;
d. vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;
e. de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;
f. de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;
g. de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;
h. de tijd die nodig is om een betere techniek te gaan toepassen;
i. het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;
j. de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;
k. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken;
l. door internationale of volkenrechtelijke organisaties bekendgemaakte informatie met betrekking tot de bepaling van beste beschikbare technieken, en
m. andere informatie met betrekking tot het bepalen van de beste beschikbare technieken.
2. Onze Minister bepaalt de beste beschikbare technieken mede op grond van de aard en het type van de inrichting en de staat van de daarin aanwezige installaties en processen, de geldende afspraken over de ontwikkeling van de technieken, de omgeving en de lokale milieuomstandigheden van de betreffende inrichting.
3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over het bepalen van de beste beschikbare technieken en omtrent de wijze waarop aan dit artikel uitvoering wordt gegeven.
- Citeren als
- Art. 11
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0036481
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl