BWBR0036191
Geldig vanaf 2023-12-04
Artikel 3a
Regeling extra vergunningen publieke mediadienst
1. Voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 3.8 van de wetaan een lokale publieke media-instelling is, voor zover dat technisch mogelijk is en doelmatig frequentiegebruik zich daartegen niet verzet, capaciteit beschikbaar in een allotment waarvan het dekkingsgebied geheel of gedeeltelijk overlapt met de gemeente of gemeenten waar de instelling media-aanbod verzorgt.
2. De in het eerste lid bedoelde capaciteit vormt een achttiende deel van de capaciteit van het desbetreffende allotment en is bestemd voor het in elk geval gelijktijdig digitaal uitzenden van de radioprogramma’s die worden uitgezonden in de FM-band met gebruikmaking van de vergunning, bedoeld in 3.7, eerste lid, onderdeel d, van de wet.
3. Voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 3.8 van de wetaan een lokale publieke media-instelling, die niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, van de wet, is voor zover dat technisch mogelijk is en doelmatig frequentiegebruik zich daartegen niet verzet, capaciteit beschikbaar in een allotment waarvan het dekkingsgebied geheel of gedeeltelijk overlapt met de gemeente of gemeenten waar de instelling media-aanbod wil verzorgen.
4. Per lokale publieke media-instelling wordt ten hoogste één vergunning verleend voor het gebruik van één achttiende deel van de capaciteit in een allotment.
5. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf een door de Minister te bepalen tijdstip en gedurende een door de Minister vast te stellen termijn.
2. De in het eerste lid bedoelde capaciteit vormt een achttiende deel van de capaciteit van het desbetreffende allotment en is bestemd voor het in elk geval gelijktijdig digitaal uitzenden van de radioprogramma’s die worden uitgezonden in de FM-band met gebruikmaking van de vergunning, bedoeld in 3.7, eerste lid, onderdeel d, van de wet.
3. Voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 3.8 van de wetaan een lokale publieke media-instelling, die niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d, van de wet, is voor zover dat technisch mogelijk is en doelmatig frequentiegebruik zich daartegen niet verzet, capaciteit beschikbaar in een allotment waarvan het dekkingsgebied geheel of gedeeltelijk overlapt met de gemeente of gemeenten waar de instelling media-aanbod wil verzorgen.
4. Per lokale publieke media-instelling wordt ten hoogste één vergunning verleend voor het gebruik van één achttiende deel van de capaciteit in een allotment.
5. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf een door de Minister te bepalen tijdstip en gedurende een door de Minister vast te stellen termijn.