BWBR0036152
Geldig vanaf 2015-04-01
Artikel 2
Regeling eed of belofte financiële sector 2015
1. Voor de door een beleidsbepaler en een natuurlijk persoon als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:8, eerste lid, derde volzin, van de wet</a>af te leggen eed of belofte wordt gebruik gemaakt van het formulier in bijlage 1bij deze regeling.
2. Voor de door een lid van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming af te leggen eed of belofte wordt gebruik gemaakt van het formulier in bijlage 2bij deze regeling.
3. Voor de door een natuurlijk persoon als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:17b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3:17b, eerste en tweede lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/4:15a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4:15a, eerste lid, van de wet</a>af te leggen eed of belofte wordt gebruik gemaakt van een door de onderneming vast te stellen formulier dat ten minste de volgende elementen bevat:
a. het integer en zorgvuldig uitoefenen van de functie;
b. het maken van een zorgvuldige afweging tussen de belangen van partijen die bij de onderneming betrokken zijn, in het bijzonder die van de klanten en de maatschappij;
c. het centraal stellen van het belang van de klant;
d. het naleven van wetten, reglementen en gedragscodes; en
e. het behouden en bevorderen van het vertrouwen in de financiële sector.
4. Het derde lid is niet van toepassing op natuurlijke personen als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3:8</a>en <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/4:9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4:9 van de wet</a>die reeds in het kader van de geschiktheid een eed of belofte afleggen.
2. Voor de door een lid van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming af te leggen eed of belofte wordt gebruik gemaakt van het formulier in bijlage 2bij deze regeling.
3. Voor de door een natuurlijk persoon als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:17b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3:17b, eerste en tweede lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/4:15a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4:15a, eerste lid, van de wet</a>af te leggen eed of belofte wordt gebruik gemaakt van een door de onderneming vast te stellen formulier dat ten minste de volgende elementen bevat:
a. het integer en zorgvuldig uitoefenen van de functie;
b. het maken van een zorgvuldige afweging tussen de belangen van partijen die bij de onderneming betrokken zijn, in het bijzonder die van de klanten en de maatschappij;
c. het centraal stellen van het belang van de klant;
d. het naleven van wetten, reglementen en gedragscodes; en
e. het behouden en bevorderen van het vertrouwen in de financiële sector.
4. Het derde lid is niet van toepassing op natuurlijke personen als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3:8</a>en <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/4:9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4:9 van de wet</a>die reeds in het kader van de geschiktheid een eed of belofte afleggen.