BWBR0035829
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel 3.9
Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015
1. Op verzoek van de drijver van een inrichting kan de minister besluiten dat, in afwijking van artikel 3.8, onderdeel b, bij de uitgifte van hernieuwbare biobrandstofeenheden door het bestuur van de emissieautoriteit de energie-inhoud van biobrandstof die is geproduceerd uit materialen, genoemd in bijlage 2, tabel 5, onder specifieke locatie- of bedrijfsomstandigheden wordt vermenigvuldigd met twee.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid vermeldt in ieder geval de ontstaanswijze van het materiaal, de huidige toepassingen van het materiaal en de marktcondities.
3. De minister beoordeelt na een verzoek als bedoeld in het eerste lid, de materialen als volgt:
a. de energie-inhoud van biobrandstof geproduceerd uit materiaal dat in de richtlijn hernieuwbare energie of bijbehorende communicaties als residu wordt aangemerkt, telt dubbel;
b. de energie-inhoud van biobrandstof geproduceerd uit materiaal dat niet in de richtlijn hernieuwbare energie of bijbehorende communicaties als residu wordt genoemd, telt slechts dubbel als: 1°. er geen alternatieve toepassing is,
2°. het materiaal niet zodanig in kwaliteit is verlaagd of verontreinigd dat het niet meer geschikt is voor zijn oorspronkelijke toepassing, en
3°. het geen ongebruikt product is ongeacht of de houdbaarheidsdatum is verstreken;
1°. er geen alternatieve toepassing is,
2°. het materiaal niet zodanig in kwaliteit is verlaagd of verontreinigd dat het niet meer geschikt is voor zijn oorspronkelijke toepassing, en
3°. het geen ongebruikt product is ongeacht of de houdbaarheidsdatum is verstreken;
c. de energie-inhoud van biobrandstof geproduceerd uit materiaal dat niet op grond van onderdeel a of b kan worden gecategoriseerd, is een niet-voedsel of niet-voeder cellulose of lignocellulose materiaal en telt slechts dubbel als: 1°. de energie-inhoud van een biobrandstof geproduceerd uit dat materiaal voor ten minste 70% afkomstig is uit het aandeel cellulose en/of lignocellulose van het materiaal, en
2°. het onder 1° vermelde percentage met behulp van de criteria in bijlage 3 is vastgesteld;
1°. de energie-inhoud van een biobrandstof geproduceerd uit dat materiaal voor ten minste 70% afkomstig is uit het aandeel cellulose en/of lignocellulose van het materiaal, en
2°. het onder 1° vermelde percentage met behulp van de criteria in bijlage 3 is vastgesteld;
d. de energie-inhoud van biobrandstof geproduceerd uit materiaal dat niet op grond van onderdeel a, b of c kan worden gecategoriseerd en daarom wordt aangemerkt als een co-product, telt niet dubbel als: 1°. het productieproces waaruit het materiaal overblijft is aangepast om een grotere hoeveelheid of een hogere kwaliteit van dat materiaal te verkrijgen, of
2°. het in aanzienlijke mate bijdraagt aan de waarde van alle producten uit het proces waarin het ontstaat;
1°. het productieproces waaruit het materiaal overblijft is aangepast om een grotere hoeveelheid of een hogere kwaliteit van dat materiaal te verkrijgen, of
2°. het in aanzienlijke mate bijdraagt aan de waarde van alle producten uit het proces waarin het ontstaat;
e. de energie-inhoud van biobrandstof geproduceerd uit materiaal dat niet op grond van onderdeel a, b, c of d kan worden gecategoriseerd en daarom wordt aangemerkt als afval of residu, telt dubbel.
4. Ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in het derde lid, wordt verstaan onder:
a. alternatievetoepassing: toepassing anders dan opwekking van elektriciteit of warmte, compostering of benutting van het lignocellulosedeel van biomassa als diervoeder;
b. residu: van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstig restproduct of stof die niet het eindproduct vormt waarop een productieproces rechtstreeks is gericht.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid vermeldt in ieder geval de ontstaanswijze van het materiaal, de huidige toepassingen van het materiaal en de marktcondities.
3. De minister beoordeelt na een verzoek als bedoeld in het eerste lid, de materialen als volgt:
a. de energie-inhoud van biobrandstof geproduceerd uit materiaal dat in de richtlijn hernieuwbare energie of bijbehorende communicaties als residu wordt aangemerkt, telt dubbel;
b. de energie-inhoud van biobrandstof geproduceerd uit materiaal dat niet in de richtlijn hernieuwbare energie of bijbehorende communicaties als residu wordt genoemd, telt slechts dubbel als: 1°. er geen alternatieve toepassing is,
2°. het materiaal niet zodanig in kwaliteit is verlaagd of verontreinigd dat het niet meer geschikt is voor zijn oorspronkelijke toepassing, en
3°. het geen ongebruikt product is ongeacht of de houdbaarheidsdatum is verstreken;
1°. er geen alternatieve toepassing is,
2°. het materiaal niet zodanig in kwaliteit is verlaagd of verontreinigd dat het niet meer geschikt is voor zijn oorspronkelijke toepassing, en
3°. het geen ongebruikt product is ongeacht of de houdbaarheidsdatum is verstreken;
c. de energie-inhoud van biobrandstof geproduceerd uit materiaal dat niet op grond van onderdeel a of b kan worden gecategoriseerd, is een niet-voedsel of niet-voeder cellulose of lignocellulose materiaal en telt slechts dubbel als: 1°. de energie-inhoud van een biobrandstof geproduceerd uit dat materiaal voor ten minste 70% afkomstig is uit het aandeel cellulose en/of lignocellulose van het materiaal, en
2°. het onder 1° vermelde percentage met behulp van de criteria in bijlage 3 is vastgesteld;
1°. de energie-inhoud van een biobrandstof geproduceerd uit dat materiaal voor ten minste 70% afkomstig is uit het aandeel cellulose en/of lignocellulose van het materiaal, en
2°. het onder 1° vermelde percentage met behulp van de criteria in bijlage 3 is vastgesteld;
d. de energie-inhoud van biobrandstof geproduceerd uit materiaal dat niet op grond van onderdeel a, b of c kan worden gecategoriseerd en daarom wordt aangemerkt als een co-product, telt niet dubbel als: 1°. het productieproces waaruit het materiaal overblijft is aangepast om een grotere hoeveelheid of een hogere kwaliteit van dat materiaal te verkrijgen, of
2°. het in aanzienlijke mate bijdraagt aan de waarde van alle producten uit het proces waarin het ontstaat;
1°. het productieproces waaruit het materiaal overblijft is aangepast om een grotere hoeveelheid of een hogere kwaliteit van dat materiaal te verkrijgen, of
2°. het in aanzienlijke mate bijdraagt aan de waarde van alle producten uit het proces waarin het ontstaat;
e. de energie-inhoud van biobrandstof geproduceerd uit materiaal dat niet op grond van onderdeel a, b, c of d kan worden gecategoriseerd en daarom wordt aangemerkt als afval of residu, telt dubbel.
4. Ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in het derde lid, wordt verstaan onder:
a. alternatievetoepassing: toepassing anders dan opwekking van elektriciteit of warmte, compostering of benutting van het lignocellulosedeel van biomassa als diervoeder;
b. residu: van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstig restproduct of stof die niet het eindproduct vormt waarop een productieproces rechtstreeks is gericht.