BWBR0035808
Geldig vanaf 2014-12-01
Artikel 2.13
Uitvoeringsregeling EFRO programmaperiode 2014–2020
1. Als subsidiabele kosten komen in aanmerking aan het project toe te rekenen:
a. loonkosten en overheadkosten voor zover berekend overeenkomstig het tweede lid;
b. bijdragen in natura van de subsidieontvanger;
c. afschrijvingskosten;
d. andere kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overgelegd.
2. Loonkosten worden berekend door het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met een volgens één van de volgende methodieken berekend tarief:
a. een per medewerker bepaald individueel uurtarief, berekend op basis van bruto jaarloon, vermeerderd met een opslag van 32% voor werkgeverslasten, waarna over dat bedrag 15% aan overheadkosten wordt berekend en dat bedrag vervolgens door 1.720 uur op basis van een 40-urige werkweek wordt gedeeld;
b. de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 12 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, of
c. een door de Europese Commissie goedgekeurde methodiek voor soortgelijke concrete acties en subsidieontvangers, als bedoeld in artikel 67, vijfde lid, onderdeel b, van verordening 1303/2013.
3. De kosten van de door een subsidieontvanger verrichte eigen arbeid ten behoeve van het project worden, indien een berekening overeenkomstig het tweede lid niet mogelijk is, berekend door het aantal uren dat de betrokken persoon aan het project ten behoeve van deze activiteiten heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 39.
4. De volgende kosten komen niet in aanmerking voor subsidie:
a. fooien en geschenken;
b. representatiekosten en -vergoedingen;
c. kosten van personeelsactiviteiten;
d. kosten van overboekingen en annuleringen;
e. gratificaties en bonussen;
f. kosten van outplacementtrajecten en
g. administratieve en financiële sancties en boetes.
a. loonkosten en overheadkosten voor zover berekend overeenkomstig het tweede lid;
b. bijdragen in natura van de subsidieontvanger;
c. afschrijvingskosten;
d. andere kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overgelegd.
2. Loonkosten worden berekend door het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met een volgens één van de volgende methodieken berekend tarief:
a. een per medewerker bepaald individueel uurtarief, berekend op basis van bruto jaarloon, vermeerderd met een opslag van 32% voor werkgeverslasten, waarna over dat bedrag 15% aan overheadkosten wordt berekend en dat bedrag vervolgens door 1.720 uur op basis van een 40-urige werkweek wordt gedeeld;
b. de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 12 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, of
c. een door de Europese Commissie goedgekeurde methodiek voor soortgelijke concrete acties en subsidieontvangers, als bedoeld in artikel 67, vijfde lid, onderdeel b, van verordening 1303/2013.
3. De kosten van de door een subsidieontvanger verrichte eigen arbeid ten behoeve van het project worden, indien een berekening overeenkomstig het tweede lid niet mogelijk is, berekend door het aantal uren dat de betrokken persoon aan het project ten behoeve van deze activiteiten heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 39.
4. De volgende kosten komen niet in aanmerking voor subsidie:
a. fooien en geschenken;
b. representatiekosten en -vergoedingen;
c. kosten van personeelsactiviteiten;
d. kosten van overboekingen en annuleringen;
e. gratificaties en bonussen;
f. kosten van outplacementtrajecten en
g. administratieve en financiële sancties en boetes.