BWBR0035771
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel 12
Besluit subsidie rechtspersonen voor voogdij en gezinsvoogdij vreemdelingen 2015
1. In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de rechtspersoon aan Onze Minister een vergoeding voor vermogensvorming schuldig.
2. De rechtspersoon doet van de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, onverwijld mededeling aan Onze Minister.
3. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor roerende zaken wordt uitgegaan van de waarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in het geval, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitgegaan van de ontvangen schadevergoeding.
4. Het vaststellen van de hoogte van de vergoeding voor onroerende zaken vindt plaats door drie deskundigen. Onze Minister onderscheidenlijk de rechtspersoon wijzen elk een deskundige aan, die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.
5. Indien het vermogen is gevormd mede met andere middelen dan de subsidie, komt aan Onze Minister toe het bedrag, waarmee de subsidiëring door Onze Minister in verhouding tot die middelen aan de vorming van het vermogen heeft bijgedragen.
6. Onze Minister komt de in het eerste lid bedoelde vordering niet toe, indien de activiteiten van de rechtspersoon met toestemming van Onze Minister door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die rechtspersoon in eigendom worden overgedragen.
2. De rechtspersoon doet van de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, onverwijld mededeling aan Onze Minister.
3. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor roerende zaken wordt uitgegaan van de waarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in het geval, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitgegaan van de ontvangen schadevergoeding.
4. Het vaststellen van de hoogte van de vergoeding voor onroerende zaken vindt plaats door drie deskundigen. Onze Minister onderscheidenlijk de rechtspersoon wijzen elk een deskundige aan, die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.
5. Indien het vermogen is gevormd mede met andere middelen dan de subsidie, komt aan Onze Minister toe het bedrag, waarmee de subsidiëring door Onze Minister in verhouding tot die middelen aan de vorming van het vermogen heeft bijgedragen.
6. Onze Minister komt de in het eerste lid bedoelde vordering niet toe, indien de activiteiten van de rechtspersoon met toestemming van Onze Minister door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die rechtspersoon in eigendom worden overgedragen.