BWBR0035356
Geldig vanaf 2014-08-01
Artikel 2
Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters
1. Artikel 1is van maandag tot en met donderdag niet van toepassing op gezagvoerders van Nederlandse en bondgenootschappelijke militaire straalvliegtuigen en op gezagvoerders van militaire transportvliegtuigen, behorende tot of in gebruik bij de Nederlandse en de bondgenootschappelijke strijdkrachten, indien zij een VFR-vlucht uitvoeren langs de routes, vermeld in bijlage A.
2. Tijdens de vluchten, genoemd in het eerste lid, gelden de volgende voorwaarden:
a. de minimum vlieghoogte bedraagt 75 meter (250 voet) boven hindernissen of zoveel lager als voor het doel van de vlucht noodzakelijk is;
b. met betrekking tot het vliegzicht en de wolkenbasis zijn de eisen voor VFR-vluchten van toepassing, genoemd in paragraaf SERA.5001 van verordening (EU) 923/2012, tenzij het doel van de vlucht het noodzakelijk maakt van deze eisen af te wijken;
c. de gezagvoerder die meer dan 1.852 meter (1 NM) van de route is afgeraakt, klimt eerst naar de aldaar geldende minimum vlieghoogte en zet de vliegoefening pas voort als het vliegtuig op de route is teruggekeerd.
2. Tijdens de vluchten, genoemd in het eerste lid, gelden de volgende voorwaarden:
a. de minimum vlieghoogte bedraagt 75 meter (250 voet) boven hindernissen of zoveel lager als voor het doel van de vlucht noodzakelijk is;
b. met betrekking tot het vliegzicht en de wolkenbasis zijn de eisen voor VFR-vluchten van toepassing, genoemd in paragraaf SERA.5001 van verordening (EU) 923/2012, tenzij het doel van de vlucht het noodzakelijk maakt van deze eisen af te wijken;
c. de gezagvoerder die meer dan 1.852 meter (1 NM) van de route is afgeraakt, klimt eerst naar de aldaar geldende minimum vlieghoogte en zet de vliegoefening pas voort als het vliegtuig op de route is teruggekeerd.