BWBR0035147
Geldig vanaf 2014-06-04
Artikel 6
Subsidieregeling Vios po en vo
1. Een beschikking tot subsidieverstrekking wordt gegeven binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag. De subsidie wordt direct vastgesteld.
2. Subsidie wordt verstrekt indien is voldaan aan de volgende kwaliteitscriteria:
a. Algemeen 1. Voor scholen in het primair onderwijs die willen starten met internationalisering geldt dat zij dienen aan te geven op welke wijze die internationalisering ook in de toekomst verankerd gaat worden.
2. Internationalisering is verankerd in het schoolbeleid, bijvoorbeeld door opname in schoolplan, het opstellen van een beleidsplan internationalisering of het toerusten van een coördinator of commissie internationalisering.
3. Er is een naar verwachting heldere leeropbrengst van de voorgestelde mobiliteit of curriculumontwikkeling en de verduurzaming ervan.
1. Voor scholen in het primair onderwijs die willen starten met internationalisering geldt dat zij dienen aan te geven op welke wijze die internationalisering ook in de toekomst verankerd gaat worden.
2. Internationalisering is verankerd in het schoolbeleid, bijvoorbeeld door opname in schoolplan, het opstellen van een beleidsplan internationalisering of het toerusten van een coördinator of commissie internationalisering.
3. Er is een naar verwachting heldere leeropbrengst van de voorgestelde mobiliteit of curriculumontwikkeling en de verduurzaming ervan.
b. Specifiek voor mobiliteit (leerlingen, leraren, leraren in opleiding): 1. Onderwijskundige invulling.
2. Leerlingenmobiliteit moet onderdeel zijn van verankering van internationalisering in het curriculum. Dit betekent dat de mobiliteit in dienst moet staan van het internationaliserende karakter van het curriculum, zoals tto.
3. Relevantie van de mobiliteit voor het onderwijs van de instelling (leeropbrengst moet binnen de school verspreid worden). Relevantie van het thema en/of land binnen het internationaliseringsbeleid van de school.
4. Centraal stellen van internationaal contact van de leerlingen onderling.
5. Samenwerking tussen de Nederlandse en buitenlandse scholen (onderwijskundige en organisatorische input van beide scholen).
6. Disseminatie van de leeropbrengst in het scholenveld.
1. Onderwijskundige invulling.
2. Leerlingenmobiliteit moet onderdeel zijn van verankering van internationalisering in het curriculum. Dit betekent dat de mobiliteit in dienst moet staan van het internationaliserende karakter van het curriculum, zoals tto.
3. Relevantie van de mobiliteit voor het onderwijs van de instelling (leeropbrengst moet binnen de school verspreid worden). Relevantie van het thema en/of land binnen het internationaliseringsbeleid van de school.
4. Centraal stellen van internationaal contact van de leerlingen onderling.
5. Samenwerking tussen de Nederlandse en buitenlandse scholen (onderwijskundige en organisatorische input van beide scholen).
6. Disseminatie van de leeropbrengst in het scholenveld.
c. Specifiek voor curriculumontwikkeling: 1. School toont aan ook zelf te investeren op basis van een beleidsplan of plan van aanpak.
1. School toont aan ook zelf te investeren op basis van een beleidsplan of plan van aanpak.
3. Voorts wordt subsidie slechts verstrekt indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet reeds via het subsidieprogramma Erasmus+ worden gesubsidieerd;
b. toekenning niet leidt tot overschrijding van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 4;
c. bij leerlingenmobiliteit deze mobiliteit in dienst staat van het internationaliserend karakter van het curriculum;
d. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingen- en lerarenmobiliteit en studentenstages niet het Nederlandse curriculum volgt;
e. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingen- en lerarenmobiliteit en studentenstages zich niet bevindt op Bonaire, Saba of St. Eustatius;
f. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingenmobiliteit en studentenstages geen commerciële instelling is;
g. de buitenlandse partnerinstelling bij lerarenmobiliteit een leercomponent biedt;
h. bij mobiliteit van leerlingen, leraren en leraren in opleiding de financiële bijdrage van de instelling minimaal 20% bedraagt van de totaal begrote kosten;
i. bij aanvragen waarbij de te subsidiëren activiteiten betrekking hebben op het curriculum niet reeds in drie voorafgaande jaren subsidie is ontvangen op grond van deze regeling of de voorgaande Subsidieregeling Bios po en vo;
j. bij vvto gestreefd wordt naar het behalen van het kwaliteitskeurmerk vvto en de school dit toelicht in het activiteitenverslag;
k. de activiteiten in het kader van tto en vvto plaatsvinden binnen de reguliere lesuren;
l. bij een subsidieaanvraag vvto en tto, zoals bedoeld in artikel 3.2.d, moet 50% van de subsidie bestemd zijn voor (na)scholing van leraren;
m. de activiteiten geen betrekking hebben op tpo.
2. Subsidie wordt verstrekt indien is voldaan aan de volgende kwaliteitscriteria:
a. Algemeen 1. Voor scholen in het primair onderwijs die willen starten met internationalisering geldt dat zij dienen aan te geven op welke wijze die internationalisering ook in de toekomst verankerd gaat worden.
2. Internationalisering is verankerd in het schoolbeleid, bijvoorbeeld door opname in schoolplan, het opstellen van een beleidsplan internationalisering of het toerusten van een coördinator of commissie internationalisering.
3. Er is een naar verwachting heldere leeropbrengst van de voorgestelde mobiliteit of curriculumontwikkeling en de verduurzaming ervan.
1. Voor scholen in het primair onderwijs die willen starten met internationalisering geldt dat zij dienen aan te geven op welke wijze die internationalisering ook in de toekomst verankerd gaat worden.
2. Internationalisering is verankerd in het schoolbeleid, bijvoorbeeld door opname in schoolplan, het opstellen van een beleidsplan internationalisering of het toerusten van een coördinator of commissie internationalisering.
3. Er is een naar verwachting heldere leeropbrengst van de voorgestelde mobiliteit of curriculumontwikkeling en de verduurzaming ervan.
b. Specifiek voor mobiliteit (leerlingen, leraren, leraren in opleiding): 1. Onderwijskundige invulling.
2. Leerlingenmobiliteit moet onderdeel zijn van verankering van internationalisering in het curriculum. Dit betekent dat de mobiliteit in dienst moet staan van het internationaliserende karakter van het curriculum, zoals tto.
3. Relevantie van de mobiliteit voor het onderwijs van de instelling (leeropbrengst moet binnen de school verspreid worden). Relevantie van het thema en/of land binnen het internationaliseringsbeleid van de school.
4. Centraal stellen van internationaal contact van de leerlingen onderling.
5. Samenwerking tussen de Nederlandse en buitenlandse scholen (onderwijskundige en organisatorische input van beide scholen).
6. Disseminatie van de leeropbrengst in het scholenveld.
1. Onderwijskundige invulling.
2. Leerlingenmobiliteit moet onderdeel zijn van verankering van internationalisering in het curriculum. Dit betekent dat de mobiliteit in dienst moet staan van het internationaliserende karakter van het curriculum, zoals tto.
3. Relevantie van de mobiliteit voor het onderwijs van de instelling (leeropbrengst moet binnen de school verspreid worden). Relevantie van het thema en/of land binnen het internationaliseringsbeleid van de school.
4. Centraal stellen van internationaal contact van de leerlingen onderling.
5. Samenwerking tussen de Nederlandse en buitenlandse scholen (onderwijskundige en organisatorische input van beide scholen).
6. Disseminatie van de leeropbrengst in het scholenveld.
c. Specifiek voor curriculumontwikkeling: 1. School toont aan ook zelf te investeren op basis van een beleidsplan of plan van aanpak.
1. School toont aan ook zelf te investeren op basis van een beleidsplan of plan van aanpak.
3. Voorts wordt subsidie slechts verstrekt indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet reeds via het subsidieprogramma Erasmus+ worden gesubsidieerd;
b. toekenning niet leidt tot overschrijding van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 4;
c. bij leerlingenmobiliteit deze mobiliteit in dienst staat van het internationaliserend karakter van het curriculum;
d. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingen- en lerarenmobiliteit en studentenstages niet het Nederlandse curriculum volgt;
e. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingen- en lerarenmobiliteit en studentenstages zich niet bevindt op Bonaire, Saba of St. Eustatius;
f. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingenmobiliteit en studentenstages geen commerciële instelling is;
g. de buitenlandse partnerinstelling bij lerarenmobiliteit een leercomponent biedt;
h. bij mobiliteit van leerlingen, leraren en leraren in opleiding de financiële bijdrage van de instelling minimaal 20% bedraagt van de totaal begrote kosten;
i. bij aanvragen waarbij de te subsidiëren activiteiten betrekking hebben op het curriculum niet reeds in drie voorafgaande jaren subsidie is ontvangen op grond van deze regeling of de voorgaande Subsidieregeling Bios po en vo;
j. bij vvto gestreefd wordt naar het behalen van het kwaliteitskeurmerk vvto en de school dit toelicht in het activiteitenverslag;
k. de activiteiten in het kader van tto en vvto plaatsvinden binnen de reguliere lesuren;
l. bij een subsidieaanvraag vvto en tto, zoals bedoeld in artikel 3.2.d, moet 50% van de subsidie bestemd zijn voor (na)scholing van leraren;
m. de activiteiten geen betrekking hebben op tpo.