BWBR0034667
Geldig vanaf 2014-01-10
Artikel 11
Besluit mandaat, volmacht en machtiging voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland 2014
1. De uit dit besluit voor een directeur voortvloeiende bevoegdheden gaan in het geval van afwezigheid over op een andere, door de betrokken directeur aangewezen directeur. In geval van afwezigheid van de directeur Financiën, Informatiemanagement en Facilitaire Zaken gaan de uit dit besluit voor deze directeur voortvloeiende bevoegdheden over op de plaatsvervangend directeur Financiën, Informatiemanagement en Facilitaire Zaken.
2. De uit dit besluit voor een afdelingsmanager van een lijnafdeling voortvloeiende bevoegdheden gaan in het geval van afwezigheid over op een andere, door de leidinggevende van de betrokken manager aangewezen afdelingsmanager van een lijnafdeling.
3. Bij afwezigheid van de afdelingsmanager van de afdeling Personeel & Organisatie gaat de bevoegdheid inzake het afhandelen van verzoeken tot betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan met betrekking tot de inhuur van tijdelijk personeel en het aannemen van stagiaires, over op de daartoe door die afdelingsmanager aangewezen teammanager of medewerker.
4. De uit dit besluit voor andere dan in het eerste, tweede en derde lid, genoemde functionarissen voortvloeiende bevoegdheden gaan in het geval van afwezigheid over op de leidinggevende of op een door de leidinggevende aangewezen medewerker.
2. De uit dit besluit voor een afdelingsmanager van een lijnafdeling voortvloeiende bevoegdheden gaan in het geval van afwezigheid over op een andere, door de leidinggevende van de betrokken manager aangewezen afdelingsmanager van een lijnafdeling.
3. Bij afwezigheid van de afdelingsmanager van de afdeling Personeel & Organisatie gaat de bevoegdheid inzake het afhandelen van verzoeken tot betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan met betrekking tot de inhuur van tijdelijk personeel en het aannemen van stagiaires, over op de daartoe door die afdelingsmanager aangewezen teammanager of medewerker.
4. De uit dit besluit voor andere dan in het eerste, tweede en derde lid, genoemde functionarissen voortvloeiende bevoegdheden gaan in het geval van afwezigheid over op de leidinggevende of op een door de leidinggevende aangewezen medewerker.