BWBR0034521
Geldig vanaf 2016-01-18
Artikel 6
Regeling opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren
1. Alle taken en bevoegdheden tot het nemen van besluiten met betrekking tot het afgeven van een erkenning van EU-beroepskwalificaties als bedoeld in de wet en de daarop berustende bepalingen, worden voor de uitoefening van het beroep van:
a. registerloods in Nederland, gedelegeerd aan de algemene raad van de Nederlandse loodsencorporatie;
b. noordzeeloods in Nederland, gemandateerd aan de directeur van Redwise-DCP; en
c. VTS-operator in Nederland, gemandateerd aan de directeur van de NNVO.
2. Ten behoeve van de uitvoering van artikel 31b van de wet, informeert een in het eerste lid genoemde organisatie de Minister van Infrastructuur en Milieu onmiddellijk nadat een migrerende beroepsbeoefenaar door een rechterlijke instantie of een andere bij of krachtens de wet bevoegde instantie in Nederland schuldig is bevonden aan het gebruik van valse beroepskwalificaties in verband met een procedure als bedoeld in de hoofdstukken 2, 3en 3a van de wetof de daarop gebaseerde bepalingen van deze regeling.
3. Onverminderd het tweede lid, verstrekt een in het eerste lid genoemde organisatie de Minister van Infrastructuur en Milieu op diens verzoek alle informatie die hij nodig heeft ten behoeve van de uitvoering van de wet.
a. registerloods in Nederland, gedelegeerd aan de algemene raad van de Nederlandse loodsencorporatie;
b. noordzeeloods in Nederland, gemandateerd aan de directeur van Redwise-DCP; en
c. VTS-operator in Nederland, gemandateerd aan de directeur van de NNVO.
2. Ten behoeve van de uitvoering van artikel 31b van de wet, informeert een in het eerste lid genoemde organisatie de Minister van Infrastructuur en Milieu onmiddellijk nadat een migrerende beroepsbeoefenaar door een rechterlijke instantie of een andere bij of krachtens de wet bevoegde instantie in Nederland schuldig is bevonden aan het gebruik van valse beroepskwalificaties in verband met een procedure als bedoeld in de hoofdstukken 2, 3en 3a van de wetof de daarop gebaseerde bepalingen van deze regeling.
3. Onverminderd het tweede lid, verstrekt een in het eerste lid genoemde organisatie de Minister van Infrastructuur en Milieu op diens verzoek alle informatie die hij nodig heeft ten behoeve van de uitvoering van de wet.