BWBR0034490
Geldig vanaf 2014-01-01
Artikel 3
Regeling toezicht terugkeer vreemdelingen
1. De inspecteurs belast met de uitvoering van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde taak hebben te allen tijde toegang tot de ruimten die worden beheerd door de instanties waar het toezicht wordt uitgeoefend, voor zover daar het terugkeerproces wordt uitgevoerd, en de in die ruimten verblijvende vreemdelingen, tenzij er, naar het oordeel van de leidinggevende ambtenaar van betreffende instantie ter plaatse, gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de orde daardoor zal worden verstoord.
2. De in het eerste lid bedoelde inspecteurs worden door de instanties waar het toezicht wordt uitgeoefend geïnformeerd over de ter plaatse geldende veiligheidsvoorschriften en dienen de op grond daarvan gegeven aanwijzingen van die instanties terstond op te volgen.
3. De instanties waar het toezicht wordt uitgeoefend verlenen de in het eerste lid bedoelde inspecteurs terstond alle medewerking die zij redelijkerwijs voor hun taak behoeven en voorzien deze inspecteurs desgevraagd van inlichtingen, middelen en mogelijkheden om het toezicht uit te oefenen.
4. Toezichthandelingen met betrekking tot de feitelijke uitzetting van vreemdelingen worden vooraf door de inspectie gemeld aan de Commandant Koninklijke marechaussee en de algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek, tenzij het met het oog op de onafhankelijke en effectieve uitvoering van het toezicht op het terugkeerproces naar het oordeel van de inspectie noodzakelijk is om deze melding achterwege te laten. Indien de instanties waar het toezicht wordt uitgeoefend van oordeel zijn dat een voorgenomen toezichthandeling in een specifiek geval niet mogelijk is, wordt dit met redenen omkleed aan de inspectie bericht.
5. Artikel 5:12 van de Algemene wet bestuursrechtis van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde inspecteurs.
2. De in het eerste lid bedoelde inspecteurs worden door de instanties waar het toezicht wordt uitgeoefend geïnformeerd over de ter plaatse geldende veiligheidsvoorschriften en dienen de op grond daarvan gegeven aanwijzingen van die instanties terstond op te volgen.
3. De instanties waar het toezicht wordt uitgeoefend verlenen de in het eerste lid bedoelde inspecteurs terstond alle medewerking die zij redelijkerwijs voor hun taak behoeven en voorzien deze inspecteurs desgevraagd van inlichtingen, middelen en mogelijkheden om het toezicht uit te oefenen.
4. Toezichthandelingen met betrekking tot de feitelijke uitzetting van vreemdelingen worden vooraf door de inspectie gemeld aan de Commandant Koninklijke marechaussee en de algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek, tenzij het met het oog op de onafhankelijke en effectieve uitvoering van het toezicht op het terugkeerproces naar het oordeel van de inspectie noodzakelijk is om deze melding achterwege te laten. Indien de instanties waar het toezicht wordt uitgeoefend van oordeel zijn dat een voorgenomen toezichthandeling in een specifiek geval niet mogelijk is, wordt dit met redenen omkleed aan de inspectie bericht.
5. Artikel 5:12 van de Algemene wet bestuursrechtis van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde inspecteurs.