BWBR0034432
Geldig vanaf 2016-03-16
Artikel 4
Subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg
1. De subsidie wordt op aanvraag vastgesteld.
2. De subsidieaanvrager doet opgave van de toelating in het kader van de WTZien opgave van de personeelskosten indien het een subsidieaanvraag van een universitair medisch centrum betreft dan wel opgave van de Zvw-omzet indien het een subsidieaanvraag van een overige instelling betreft.
3. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. het strategisch opleidingsplan, tenzij de minister uit hoofde van eerder verstrekte subsidies op grond van deze regeling reeds over de actuele versie beschikt;
b. de jaarrekening over het tweede jaar voorafgaand aan het subsidiejaar, opgesteld conform de voor het betreffende jaar geldende versie van Richtlijn 655 Zorginstellingen en voorzien van de bijbehorende controle-, beoordelings- of samenstellingsverklaring.
4. Indien de opgave, bedoeld in het tweede lid, afwijkt van de gegevens zoals vermeld in de jaarrekening, bedoeld in het derde lid geeft de subsidieaanvrager een toelichting op de afwijking. Bij het ontbreken van deze toelichting is de jaarrekening, bedoeld in het derde lid, leidend voor het bepalen van de hoogte van de subsidie.
5. Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.
6. De aanvraag wordt ondertekend door een persoon die bevoegd is de instelling te vertegenwoordigen.
7. De aanvraag wordt uiterlijk 1 december in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar ontvangen.
8. Een aanvraag die na de termijn, bedoeld in het vorige lid, wordt ontvangen wordt afgewezen.
9. Op verzoek van de minister legt de instelling over:
a. een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd;
b. een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag.
10. Indien de subsidieaanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking stelt de minister de subsidieaanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen drie weken aan te vullen. De minister besluit de aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag binnen die termijn niet of niet voldoende is aangevuld, tenzij het niet of niet tijdig aanvullen van de aanvraag alleen betrekking heeft op de in het vierde lid genoemde toelichting.
11. Indien de subsidieaanvraag niet vergezeld gaat van de jaarrekening, bedoeld in het derde lid, kan, indien de subsidieaanvrager uitstel voor het indienen van die jaarrekening heeft verkregen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de minister besluiten de subsidieaanvrager voor het aanvullen van de aanvraag een langere termijn te bieden dan de in het tiende lid genoemde termijn.
12. Indien aan de subsidieaanvrager overeenkomstig het elfde lid uitstel is geboden, wordt ten behoeve van de verdeling van het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag, in afwijking van artikel 3, derde respectievelijk vijfde lid, voor formuleonderdeel A, ten aanzien van de betreffende subsidieaanvrager uitgegaan van 90 % van de Zvw-omzet respectievelijk 90% van de personeelskosten. De berekening van de Zvw-omzet respectievelijk de personeelskosten wordt, in afwijking van het derde respectievelijk vijfde lid, alsdan herleid uit de jaarrekening over het derde jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. De subsidievaststelling kan lager worden vastgesteld indien de nadien ingediende jaarrekening over het tweede jaar voorafgaand aan het subsidiejaar daartoe aanleiding geeft.
2. De subsidieaanvrager doet opgave van de toelating in het kader van de WTZien opgave van de personeelskosten indien het een subsidieaanvraag van een universitair medisch centrum betreft dan wel opgave van de Zvw-omzet indien het een subsidieaanvraag van een overige instelling betreft.
3. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. het strategisch opleidingsplan, tenzij de minister uit hoofde van eerder verstrekte subsidies op grond van deze regeling reeds over de actuele versie beschikt;
b. de jaarrekening over het tweede jaar voorafgaand aan het subsidiejaar, opgesteld conform de voor het betreffende jaar geldende versie van Richtlijn 655 Zorginstellingen en voorzien van de bijbehorende controle-, beoordelings- of samenstellingsverklaring.
4. Indien de opgave, bedoeld in het tweede lid, afwijkt van de gegevens zoals vermeld in de jaarrekening, bedoeld in het derde lid geeft de subsidieaanvrager een toelichting op de afwijking. Bij het ontbreken van deze toelichting is de jaarrekening, bedoeld in het derde lid, leidend voor het bepalen van de hoogte van de subsidie.
5. Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.
6. De aanvraag wordt ondertekend door een persoon die bevoegd is de instelling te vertegenwoordigen.
7. De aanvraag wordt uiterlijk 1 december in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar ontvangen.
8. Een aanvraag die na de termijn, bedoeld in het vorige lid, wordt ontvangen wordt afgewezen.
9. Op verzoek van de minister legt de instelling over:
a. een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd;
b. een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag.
10. Indien de subsidieaanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking stelt de minister de subsidieaanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen drie weken aan te vullen. De minister besluit de aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag binnen die termijn niet of niet voldoende is aangevuld, tenzij het niet of niet tijdig aanvullen van de aanvraag alleen betrekking heeft op de in het vierde lid genoemde toelichting.
11. Indien de subsidieaanvraag niet vergezeld gaat van de jaarrekening, bedoeld in het derde lid, kan, indien de subsidieaanvrager uitstel voor het indienen van die jaarrekening heeft verkregen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de minister besluiten de subsidieaanvrager voor het aanvullen van de aanvraag een langere termijn te bieden dan de in het tiende lid genoemde termijn.
12. Indien aan de subsidieaanvrager overeenkomstig het elfde lid uitstel is geboden, wordt ten behoeve van de verdeling van het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag, in afwijking van artikel 3, derde respectievelijk vijfde lid, voor formuleonderdeel A, ten aanzien van de betreffende subsidieaanvrager uitgegaan van 90 % van de Zvw-omzet respectievelijk 90% van de personeelskosten. De berekening van de Zvw-omzet respectievelijk de personeelskosten wordt, in afwijking van het derde respectievelijk vijfde lid, alsdan herleid uit de jaarrekening over het derde jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. De subsidievaststelling kan lager worden vastgesteld indien de nadien ingediende jaarrekening over het tweede jaar voorafgaand aan het subsidiejaar daartoe aanleiding geeft.