BWBR0034415
Geldig vanaf 2013-12-19
Artikel 3
Besluit Adviescommissie Bezwaarschriftprocedure Personeel OCW 2013
1. De commissie bestaat uit:
a. één onafhankelijke voorzitter en tenminste één onafhankelijke plaatsvervangend voorzitter;
b. één lid en tenminste één plaatsvervangend lid op voordracht van de centrales van overheidspersoneel;
c. één lid en tenminste één plaatsvervangend lid op voordracht van het ministerie.
2. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de overige leden alsmede hun plaatsvervangers worden door de minister benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar. De benoeming kan aansluitend eenmaal voor vier jaar worden verlengd.
3. De voorzitter of plaatsvervangend voorzitter dan wel lid of plaatsvervangend lid van de commissie worden uit hun functie ontheven bij gebleken ongeschiktheid, of indien andere gewichtige redenen zulks naar het oordeel van de minister vorderen dan wel op eigen verzoek.
4. Het lid en de plaatsvervangend leden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden door de minister eerst uit hun functie ontheven na overleg met de centrales van overheidspersoneel.
5. Het lid en de plaatsvervangend leden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kunnen werkzaam zijn bij het ministerie.
6. De beëindiging van het dienstverband bij het ministerie van een lid van de commissie gedurende de looptijd van zijn benoeming in de commissie, kan aanleiding zijn om dat lid uit zijn functie van lid van de commissie te ontheffen. De minister kan deze bevoegdheid slechts tot uiterlijk 3 maanden na de beëindiging van het dienstverband met betrokkene gebruiken.
a. één onafhankelijke voorzitter en tenminste één onafhankelijke plaatsvervangend voorzitter;
b. één lid en tenminste één plaatsvervangend lid op voordracht van de centrales van overheidspersoneel;
c. één lid en tenminste één plaatsvervangend lid op voordracht van het ministerie.
2. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de overige leden alsmede hun plaatsvervangers worden door de minister benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar. De benoeming kan aansluitend eenmaal voor vier jaar worden verlengd.
3. De voorzitter of plaatsvervangend voorzitter dan wel lid of plaatsvervangend lid van de commissie worden uit hun functie ontheven bij gebleken ongeschiktheid, of indien andere gewichtige redenen zulks naar het oordeel van de minister vorderen dan wel op eigen verzoek.
4. Het lid en de plaatsvervangend leden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden door de minister eerst uit hun functie ontheven na overleg met de centrales van overheidspersoneel.
5. Het lid en de plaatsvervangend leden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kunnen werkzaam zijn bij het ministerie.
6. De beëindiging van het dienstverband bij het ministerie van een lid van de commissie gedurende de looptijd van zijn benoeming in de commissie, kan aanleiding zijn om dat lid uit zijn functie van lid van de commissie te ontheffen. De minister kan deze bevoegdheid slechts tot uiterlijk 3 maanden na de beëindiging van het dienstverband met betrokkene gebruiken.