BWBR0033859
Geldig vanaf 2013-09-13
Artikel 3
Uitvoeringsregeling Voorzieningen in plaats van levensloopbijdragen voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte politieambtenaren
1. Indien de ambtenaar gekozen heeft voor geheel of gedeeltelijk verlof, dan staat de omvang van het verlof gelijk aan het geheel of het deel van de waarde van de levensloopbijdragen die de ambtenaar maandelijks zou hebben verkregen als de ambtenaar geen uitkering op grond van de WAOof de WIAzou zijn toegekend, gedeeld door zijn uurloon in de maand waarin de levensloopbijdragen zouden zijn toegekend.
2. De ambtenaar kan verzoeken, indien de omvang van het in het eerste lid bedoelde verlof het in artikel 11, eerste lid, onderdeel r. ten eerste van de Wet op de Loonbelasting 1964genoemde maximum overschrijdt, het verlof tot dat maximum te beperken.
3. Het door het bevoegde gezag toegekende verlof is eenmalig en is, behoudens het zesde lid, niet in enige geldelijke vergoeding om te zetten.
4. Over de tijdstippen waarop het verlof wordt genoten, alsmede over de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist het bevoegd gezag in goed overleg met de ambtenaar.
5. Indien aan de ambtenaar ontheffing van zijn werkzaamheden is verleend, als bedoeld in artikel 55aa van het Barp, is het gestelde in het eerste lid, onderdeel c. van dat artikel van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van eindeloopbaanverlof bedoeld in de levensloopregeling, het verlof wordt bedoeld op grond van dit artikel.
6. Bij overlijden van de ambtenaar, voordat hij het verlof heeft genoten, is artikel 26, eerste lid, van het Barpvan overeenkomstige toepassing.
2. De ambtenaar kan verzoeken, indien de omvang van het in het eerste lid bedoelde verlof het in artikel 11, eerste lid, onderdeel r. ten eerste van de Wet op de Loonbelasting 1964genoemde maximum overschrijdt, het verlof tot dat maximum te beperken.
3. Het door het bevoegde gezag toegekende verlof is eenmalig en is, behoudens het zesde lid, niet in enige geldelijke vergoeding om te zetten.
4. Over de tijdstippen waarop het verlof wordt genoten, alsmede over de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist het bevoegd gezag in goed overleg met de ambtenaar.
5. Indien aan de ambtenaar ontheffing van zijn werkzaamheden is verleend, als bedoeld in artikel 55aa van het Barp, is het gestelde in het eerste lid, onderdeel c. van dat artikel van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van eindeloopbaanverlof bedoeld in de levensloopregeling, het verlof wordt bedoeld op grond van dit artikel.
6. Bij overlijden van de ambtenaar, voordat hij het verlof heeft genoten, is artikel 26, eerste lid, van het Barpvan overeenkomstige toepassing.