BWBR0033859
Geldig vanaf 2013-09-13
Artikel 2
Uitvoeringsregeling Voorzieningen in plaats van levensloopbijdragen voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte politieambtenaren
1. De ambtenaar die gebruik maakt van de in artikel 12f, tweede lid, van het Bbpgenoemde keuzemogelijkheden, stelt het bevoegd gezag schriftelijk van diens keuze op de hoogte:
a. voor 1 januari 2014 voor zover het betreft de eenmalig keuze, bedoeld in artikel 12f, vierde lid, onder a, van het Bbp, over de periode 2006 tot en met 2013; of
b. voor 1 januari 2014 voor het jaar 2014 en voor 2015 en volgende jaren, voor 1 november van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de jaarlijkse keuze, bedoeld in artikel 12f, vierde lid, onder b, van het Bbp, betrekking heeft.
2. Bij de eenmalige keuze bedoeld in het eerste lid, onder a, geeft de ambtenaar op grond van artikel 12f, derde lid, van het Bbp, aan of de levensloopbijdragen als niet-pensioengevend moeten worden aangemerkt.
3. Binnen vier weken na ontvangst van de schriftelijk gedane keuze bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag een opgave verstrekt van de door de ambtenaar gemaakte keuze en indien van toepassing diens besluit de levensloopbijdragen niet-pensioengevend te laten zijn. De opgave wordt daarbij voorzien van een berekening van:
a. de uit te betalen levensloopbijdragen,
b. van de levensloopbijdragen waarvan wordt afgezien;
c. van het aantal verlofuren dat in de plaats komt van de levensloopbijdragen.
a. voor 1 januari 2014 voor zover het betreft de eenmalig keuze, bedoeld in artikel 12f, vierde lid, onder a, van het Bbp, over de periode 2006 tot en met 2013; of
b. voor 1 januari 2014 voor het jaar 2014 en voor 2015 en volgende jaren, voor 1 november van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de jaarlijkse keuze, bedoeld in artikel 12f, vierde lid, onder b, van het Bbp, betrekking heeft.
2. Bij de eenmalige keuze bedoeld in het eerste lid, onder a, geeft de ambtenaar op grond van artikel 12f, derde lid, van het Bbp, aan of de levensloopbijdragen als niet-pensioengevend moeten worden aangemerkt.
3. Binnen vier weken na ontvangst van de schriftelijk gedane keuze bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag een opgave verstrekt van de door de ambtenaar gemaakte keuze en indien van toepassing diens besluit de levensloopbijdragen niet-pensioengevend te laten zijn. De opgave wordt daarbij voorzien van een berekening van:
a. de uit te betalen levensloopbijdragen,
b. van de levensloopbijdragen waarvan wordt afgezien;
c. van het aantal verlofuren dat in de plaats komt van de levensloopbijdragen.