1. Aan de directeuren en hoofden van de in artikel 1, onderdeel b tot en met g, genoemde onderdelen, wordt, binnen het door de Raad vastgestelde werkplan en binnen het door de Raad daartoe vastgestelde budget, voor de onder hen ressorterende medewerkers, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het verlenen van ontslag, bedoeld in
artikel 94 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
2. Aan de directeuren en hoofden van de in artikel 1, onderdeel b tot en met g, genoemde onderdelen, en hun plaatsvervangers, wordt, binnen het door de Raad vastgestelde werkplan en binnen het door de Raad daartoe vastgestelde budget, voor de onder hen ressorterende medewerkers mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:
1°. het aanstellen van medewerkers;
2°. het goedkeuren van aanvragen tot wijzigingen in de arbeidsduur van medewerkers met uitzondering van aanvragen bedoeld in artikel 21, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
3°. het verlenen van toestemming voor interim functievervulling en het aangaan van desbetreffende overeenkomsten;
4°. het beslissen op een aanvraag in het kader van de geldende regels inzake scholingsfaciliteiten, inclusief het verlenen van studieverlof;
5°. het aangaan van verplichtingen inzake de opleiding van medewerkers;
6°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor de opleiding van medewerkers;
7°. het aangaan van verplichtingen inzake het inhuren van tijdelijk personeel;
8°. verzoeken om betaling, voortvloeiend uit verplichtingen die zijn aangegaan voor het inhuren van tijdelijk personeel;
9°. het aangaan van stageovereenkomsten;
10°. het doen van uitgaven voor aardigheidjes;
11°. het doen van uitgaven ten behoeve van representatie;
12°. het toekennen van eenmalige toeslagen van maximaal € 500 netto aan medewerkers in het kader van ‘bewust belonen’;
13°. het nemen van beslissingen inzake het woon-werkverkeer.