1. De ACM stelt de Minister zo spoedig mogelijk in kennis van een verwijzingsverzoek als bedoeld in artikel 4, vierde en vijfde lid, van Verordening (EG) nr. 139/2004van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PbEU 2004, L 24).
2. De ACM stelt de Minister in kennis van het voornemen van een kennisgeving aan de Europese Commissie als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de verordening. De kennisgeving aan de Minister geschiedt uiterlijk vijf werkdagen voordat de termijn afloopt waarbinnen de kennisgeving aan de Europese Commissie moet worden gedaan.
3. De ACM stelt de Minister in kennis van het voornemen van een verzoek of een voornemen tot aansluiting bij een verzoek aan de Europese Commissie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, tweede alinea, van de verordening. De kennisgeving aan de Minister geschiedt uiterlijk vijf werkdagen voordat de termijn afloopt waarbinnen het verzoek of de mededeling inzake aansluiting bij een verzoek aan de Europese Commissie moet worden gedaan.
4. Indien de Minister de ACM een instructie als bedoeld in
artikel 10:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrechtwil geven ten aanzien van een verwijzingsverzoek als bedoeld in het eerste lid of een voornemen als bedoeld in het tweede of derde lid, geeft hij deze instructie binnen drie werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de ACM. Indien een beoordeling van het verzoek of het voornemen niet binnen die termijn mogelijk is, stelt de Minister de ACM daarvan op de hoogte.