BWBR0032775
Geldig vanaf 2013-04-01
Artikel 5
Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012
1. De vaststelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, geschiedt overeenkomstig de artikelen 4 en 9, vijfde lid, van richtlijn 2009/119/EGen wel zodanig dat:
a. ten minste 1/3 van de wettelijke voorraad wordt aangehouden in de vorm van de volgende aardolieproducten: motorbenzine, gasolie/dieselolie (aardoliedistillaat) en reactiemotorbrandstof van het kerosinetype;
b. de hoeveelheid reactiemotorbrandstof van het kerosinetype beperkt blijft tot 15 verbruiksdagen naar het gemiddeld binnenlands verbruik daarvan in het referentiejaar en
c. de hoeveelheid van de overige aardolieproducten wordt bepaald naar rato van het binnenlands verbruik daarvan in het referentiejaar.
2. De hoeveelheid aardolieproducten die wordt aangehouden door een marktdeelnemer wordt bepaald door:
a. de drempel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, te verdelen over de diverse categorieën aardolieproducten naar rato van de uitslag van elke categorie in het referentiejaar;
b. per categorie aardolieproducten de in het referentiejaar uitgeslagen hoeveelheid te verminderen met de hoeveelheid die is berekend met toepassing van onderdeel a en
c. de met toepassing van onderdeel b berekende hoeveelheid te vermenigvuldigen met een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage.
3. Ten minste de helft van de aldus voor een marktdeelnemer vastgestelde verplicht aan te houden voorraad wordt aangehouden in de vorm van aardolieproducten, bedoeld in artikel 2, onderdelen b, e of g. Het overige deel mag worden aangehouden met de aardolieproducten, bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met i.
4. De totale hoeveelheid aardolieproducten die COVA moet aanhouden, wordt bepaald door de wettelijke voorraad te verminderen met de totale hoeveelheid aardolieproducten die marktdeelnemers aan moeten houden. Voor zover met de voorraadplicht van de marktdeelnemers tezamen niet wordt voldaan aan het eerste lid, onderdeel a, wordt het resterende deel van de bedoelde aardolieproducten door COVA aangehouden.
a. ten minste 1/3 van de wettelijke voorraad wordt aangehouden in de vorm van de volgende aardolieproducten: motorbenzine, gasolie/dieselolie (aardoliedistillaat) en reactiemotorbrandstof van het kerosinetype;
b. de hoeveelheid reactiemotorbrandstof van het kerosinetype beperkt blijft tot 15 verbruiksdagen naar het gemiddeld binnenlands verbruik daarvan in het referentiejaar en
c. de hoeveelheid van de overige aardolieproducten wordt bepaald naar rato van het binnenlands verbruik daarvan in het referentiejaar.
2. De hoeveelheid aardolieproducten die wordt aangehouden door een marktdeelnemer wordt bepaald door:
a. de drempel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, te verdelen over de diverse categorieën aardolieproducten naar rato van de uitslag van elke categorie in het referentiejaar;
b. per categorie aardolieproducten de in het referentiejaar uitgeslagen hoeveelheid te verminderen met de hoeveelheid die is berekend met toepassing van onderdeel a en
c. de met toepassing van onderdeel b berekende hoeveelheid te vermenigvuldigen met een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage.
3. Ten minste de helft van de aldus voor een marktdeelnemer vastgestelde verplicht aan te houden voorraad wordt aangehouden in de vorm van aardolieproducten, bedoeld in artikel 2, onderdelen b, e of g. Het overige deel mag worden aangehouden met de aardolieproducten, bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met i.
4. De totale hoeveelheid aardolieproducten die COVA moet aanhouden, wordt bepaald door de wettelijke voorraad te verminderen met de totale hoeveelheid aardolieproducten die marktdeelnemers aan moeten houden. Voor zover met de voorraadplicht van de marktdeelnemers tezamen niet wordt voldaan aan het eerste lid, onderdeel a, wordt het resterende deel van de bedoelde aardolieproducten door COVA aangehouden.